Etienne Vermeersch in quotes

Artikel
Etienne Vermeersch

'Wanneer ik kritiek uitoefen op christelijke teksten, dan ben ik een antichrist, wanneer ik kritiek uitoefen op het communisme, dan ben ik een agent van het kapitalisme, wanneer ik kritiek uitoefen op het antisemitisme, ben ik een linkse marxist. Zo heb ik al van alles gehoord.'

Etienne Vermeersch

Petra De Sutter en Etienne Vermeersch vallen in de prijzen op PRoF Awards

Artikel
belga

Professor Petra De Sutter en professor Etienne Vermeersch zijn in de prijzen gevallen op de PRoF Awards in Poperinge. PRoF is een denktank die zich bezig houdt met innovatieve concepten en toepassingen voor de zorgsector.

De Sutter won de Award voor Research in de Zorg, Vermeersch kreeg een Special Honorary Award. De organisatie bestaat zeven jaar en groeide in die periode van 40 naar 430 leden, vooral mensen uit de zorgsector. Jaarlijks komen ze samen op hun PRoF Lucas Themadagen waar ze hun awards uitreiken. Die verloopt volgens een stemming onder de leden van de denktank.

Natuurlijk moeten we mensen, met welke handicap ook, maximaal helpen

Etienne Vermeersch
Photo by Nathan Anderson on Unsplash

Natuurlijk moeten we mensen, met welke handicap ook, maximaal helpen

Filosoof Etienne Vermeersch is uitzonderlijk hard voor zijn collega Ignaas Devisch: 'Ik streef naar genetische correctie, niet naar genetische optimalisatie. Hier werd manifest gelogen.'

De discussie in 'De Afspraak' over de NIP-test en het Downsyndroom had betrekking op een samenvatting van een telefonisch interview met mij over het thema in De Morgen (3/6).

Ik had maar enkele minuten de tijd gekregen om deze samenvatting na te lezen. Ik drukte in het interview de hoop uit dat, dankzij de verspreiding van deze test, mensen met deze ziekte uiteindelijk zullen uitsterven.

Ik bedoelde uiteraard het uitsterven van de aandoening zelf: het is al heel mijn leven mijn overtuiging dat we mensen, met welke handicap ook, maximaal moeten helpen. Blijkbaar is mijn formulering door sommigen in negatieve zin begrepen.

Wat ik Ignaas Devisch verwijt is, dat hij in een column in De Standaard deze ongelukkige zin heeft aangegrepen om een totale aanval op mijn denken te richten.

Pleidooi voor vrije keuze.

Etienne Vermeersch

Pleidooi voor vrije keuze

De column ‘Hopen op uitsterven?’ (DS, 6 juni) van Ignaas Devisch (ID) , die schijnbaar over mijn visie op NIPT en op Downsyndroom gaat, week zover van mijn echte opvattingen af, dat ik het eerst hopeloos vond erop te reageren. In De Afspraak (6 juni) bleek echter dat zijn betoog niet het gevolg was van een onvermogen om correct een tekst te lezen, maar om bewuste kwade trouw. Immers, toen ik tekstueel het foutieve van zijn lectuur aantoonde, bleef hij toch in zijn richting doordrammen.

Ik geef maar een paar voorbeelden. Hij schreef driemaal dat mijn ‘enig uitgangspunt’ is: een ‘plicht tot genetische optimalisatie’ om ‘alle’ imperfecties uit de wereld te helpen. In mijn tekst stond echter tweemaal dat ik het alleen heb over ‘zware handicaps’, die algemeen erkend worden als ‘sterk nadelig voor het individu’. Ik voegde er nadrukkelijk aan toe dat ik niet ‘het nastreven van een volmaakt kind’ bedoelde. Verder vond ik dat inzake de keuze voor abortus na een diagnose van Down “de mentaliteit zal evolueren”; ID schreef me in het debat tweemaal de uitdrukking “moet evalueren” toe, om te bewijzen dat ik de vrijheid wil aantasten. Hoe kan iemand die zonder verpinken tegen de evidente waarheid ingaat, zich nog ethicus noemen?

Ik zou graag eens vernemen waar ik die 'essentie van de islam' kan vinden

 

Het is mogelijk dat sommige mensen door deze teksten gekrenkt worden; ze zijn echter niet de mijne, ik citeer alleen. Etienne Vermeersch

 

Othman El Hammouchi brengt opwerpingen naar voren waarmee moslims critici vaak de mond willen snoeren. Zelf citeren ze graag koranteksten; maar als je hen met koranteksten van antwoord dient, verwijzen ze naar een ‘immens corpus’ van commentaren die men zo nodig moet gelezen hebben om de koran te kunnen begrijpen. Die Allah is dus wel een vreemd wezen: hij wou even de waarheid aan zijn volgelingen mededelen in een ‘Openbaring’, maar die gelovigen kunnen dat alleen begrijpen als ze eerst de bespiegelingen van ‘duizenden’ ‘geleerden’ bestudeerd hebben. Die geleerden schreven vooral in het Arabisch, zodat de verpletterende meerderheid van de moslims (Aziaten), die onmogelijk kunnen kennen. Is dat niet te gek voor woorden? Als de koran werkelijk niet eens het citeren waard is, welk belang heeft het dan nog die te lezen, laat staan van buiten te leren?

El Hammouchi gaat er zonder enige reden van uit dat ik zelf over de besproken passussen geen commentaren gelezen heb. Ik moet hem op het volgende wijzen. Ik beschik over de ‘Umdat al Salik’, in de Engelse vertaling: ‘Reliance of the Traveller’. Dat is hét standaardwerk over de ‘Islamic sacred law’ m.a.w. de shariah. De meest gezaghebbende universiteit van de islam: Al Azhar schrijft in een officieel certificaat het volgende: “We certify that the above mentioned translation corresponds to the Arabic original and conforms to the practice and faith of the Orthodox Sunni Community.” (1991). Vergelijkbare certificaten brachten ook het “International Institute of Islamic Thought (1990) en nog andere instituten.

Deze ‘Umdat’ is geschreven na het ‘sluiten van de poorten van de Ijtihad’. Daaruit volgt dat alle verwijzingen naar de koran, qua betekenis, het akkoord hebben van alle hieraan voorafgaande islamgeleerden. El Hammouchi beweert bv. dat het eerste vers dat ik citeer ‘geabrogeerd’ (herroepen) is, maar dit vers wordt geciteerd in de Umdat (01.0); dus is het zeker niet geabrogeerd. En inderdaad: “the indemnity for the death or injury of a woman is one half the indemnity paid for a man” (04.9): ongelijkheid dus.

El Hammouchi: “Het punt dat de vrouw niet kan scheiden, is dan weer gewoonweg onjuist…” (1°) Ik heb dat niet beweerd; ik heb gezegd: ‘verstoten’. (2°) De Umdat besteedt 73 blz aan ‘divorce’. In geen enkele zin wordt ook maar gesuggereerd dat een vrouw tot een echtscheiding kan beslissen: alleen de man kan dat. Wel kan de man aanvaarden een vrouw te verstoten: op haar verzoek, als zij hem een aanzienlijk bedrag daarvoor betaalt (n5.0-n5.6). Als de koran een vrouw zou toelaten een man te verstoten dan zou dat hier zeker vermeld worden.

Othman El Hammouchi heeft problemen met mijn vertaling van het Arabische ‘qawwamun’ als ‘zaakwaarnemers’ (S, 4:34); hij stelt wel geen alternatieve vertaling voor. Zoals steeds had ik deze passus vergeleken in twee Nederlandse, twee Franse en acht Engelse vertalingen. De meest gangbare term in het Engels is ‘maintainer of women’, maar je vindt ook ‘protector’, ‘manager of the affairs’. Die vertalers (moslims) zullen wel enkele honderden commentaren gelezen hebben en dus mag ik op hen betrouwen. De rest van dit vers wijst ook bij hen op een voorrang van mannen op vrouwen en dat strookt dus weer met mijn betoog.

De opvatting dat ik als materialist geen ‘objectieve’ morele oordelen kan vellen, zal ik maar met de mantel van Noah bedekken. Hume heeft gelijk dat je ‘moeten’ niet van ‘zijn’ kunt afleiden. Dat belet mij niet een solide moraal te ontwikkelen: zie bv. mijn ‘Provençaalse Gesprekken’, blz 51-99.

El Hammouchi beweert dat religies slavernij en verkrachting veroordelen: de feiten bewijzen het tegendeel: zie verder.

Ik ben helemaal niet ‘verontwaardigd’ over de koranische visie op de schepping van de vrouw: ik stel alleen vast dat die de thesis over ‘gelijkheid’ andermaal in het gedrang brengt. El Hammouchi betoogt dat volgens de islam de man ook voor de vrouw geschapen is; spijtig genoeg brengt hij daar geen bewijs voor. Ik zou ook graag eens vernemen waar ik die ‘essentie van de islam’ kan vinden.

El Hammouchi betwist blijkbaar niet de fundamentele ongelijkheid van man en vrouw inzake erfenis (S. 4:11) en inzake getuigenissen S. 2:282). Dat kan ook niet want beide discriminaties zijn uitvoerig in wetteksten uitgewerkt. (Zie ‘Umdat’ Book L 50 en 024.7).

Evenmin kunnen ‘duizenden islamgeleerden’ ontkennen dat er in de koran negen beschrijvingen staan over maagden die ter (seksuele) beschikking staan van mannen in het paradijs, maar geen enkele waar knapen of mannen ter beschikking staan van vrouwen.

Er is ook geen enkele passus waaruit blijkt dat vrouwen hun man mogen slaan, terwijl mannen dat wel degelijk mogen volgens S. 4:34.

Als het nodig is kan ik tientallen moslimauteurs vermelden, door de eeuwen heen, die dat bevestigen.

Dat een vrouw alleen seks mag hebben met haar man, en die man met vier echtgenoten en een onbeperkt aantal slavinnen (S. 23:1-6, en andere) heeft de hele moslimcultuur zo doordrongen dat elke ontkenning (door duizenden…) hier bespottelijk zou zijn. Toch veroorzaken deze verzen manifeste discriminaties. (a) Tussen mannen onderling: als de rijken meerdere vrouwen hebben, zullen veel arme mannen geen vrouw kunnen krijgen. (b) Tussen mannen en vrouwen: het seksuele onrecht ten nadele van de vrouwen is evident. (c) Het gruwelijkste echter is de pijn en de vernedering die miljoenen slavinnen door dit vers hebben moeten ondergaan: zij konden zich niet verzetten tegen een meester die hen wou verkrachten. Welke visie hebben moslims over een ‘God’ die door zijn ‘Openbaring’ zo’n mateloos lijden op zo grote schaal veroorzaakt?

Even erg en even schandelijk vind ik de fysieke en psychische pijn die kinderen eeuwenlang hebben ondergaan, door het feit dat de koran toestaat dat men niet-geslachtsrijpe meisjes mag uithuwelijken. (S.65:4). Dat Mohammed zijn huwelijk met Aisha fysiek voltrok toen ze negen jaar was (zie Bukhari, Muslim, Ibn Hisham, Al Tabari, Abu Dawud…) heeft velen tot navolging aangespoord. Ook nu nog vindt men kindhuwelijken in veel moslimlanden. Wat die kinderen als schending van hun diepste wezen ondergingen, is niet alleen een aanfluiting van wat men ‘gelijkheid’ noemt (ze konden uiteraard niet zelf beslissen): het vormt één van de grootste schandalen van de wereldgeschiedenis. Dergelijke zaken gebeurden ook in andere culturen, maar daar niet na goedkeuring door God en als nabootsing van een Profeet.

Een ander noodlottig gevolg van een korantekst (S.33:50) is de traditie die bij islamoorlogen ontstaan is, waarbij vrouwen en kinderen van de overwonnen in slavernij werden gebracht. Hierdoor is de omvang van de slavernij, en dus de ongelijkheid, in de islamlanden mateloos gestegen. Bezwarend is daarbij dat reeds in Mohammeds tijd die vrouwen met zijn goedkeuring ter plekke werden verkracht. (Bukhari, Muslim, Abu Dawud).

In mijn uitgave van Umdat al Salik (2008!) lees ik: “When a child or woman is taken captive, they become slaves by the fact of capture, and the woman’s previous marriage is immediately annulled.” Deze tekst (goedgekeurd door Al Azhar !) vormt de motivering van de huidige verkrachtingen van Yezidi-vrouwen en -meisjes door de krijgers van IS.

Het is mogelijk dat sommige mensen door deze teksten gekrenkt worden; ze zijn echter niet de mijne, ik citeer alleen. Ik doe dat omdat ik de mening toegedaan blijf dat de waarheid haar rechten heeft en dat “de waarheid ons zal vrij maken” (Joh. 8, 32).

Uit zijn prestaties blijkt dat El Hammouchi bijzonder intelligent is. Ik hoop van harte dat hij die intelligentie verder gebruikt om de waarheid na te streven. Dat vraagt intellectuele eerlijkheid en vanuit een bepaalde opvoeding is daar ook veel moed voor nodig: ik heb dat proces zelf moeten doormaken. Maar denk eraan: “Alles wat voortreffelijk is, is zowel moeilijk als zeldzaam” (Spinoza).

Etienne Vermeersch

 

p.s. Het stuk van Wim Van Walle over mijn ‘Opinie’ betreffende ‘gelijkheid’ in de koran, getuigt van zoveel intellectuele oneerlijkheid dat ik me er niet toe zal verlagen daarop te antwoorden.

Pleidooi tegen rootisme

Etienne Vermeersch

Pleidooi tegen rootisme

Door de recente gebeurtenissen in verband met het Turkse referendum komt een betoog dat ik sinds 2002 houd tegen rootisme opnieuw in de actualiteit.

Ik beschouw het meer en meer als een belangrijke opgave voor de komende jaren dat we mensen van ‘allochtone’ afkomst ervan overtuigen dat het rootisme, zowel om pragmatische als om ethische redenen een verkeerde houding is. Etienne Vermeersch

Men kan ‘rootisme’ definiëren tegen de achtergrond van de (correcte) definitie van ‘racisme’. Racisme is de overtuiging (en de hiermee samenhangende houdingen) dat mensen bepaald zijn, veelal in negatieve zin, door een reeks echte of denkbeeldige eigenschappen die ze, op grond van biologische afstamming met een groep gemeen zouden hebben. Een racist definieert andere mensen op grond van hun genetische oorsprong. Hij overlaadt hen met stigmata, niet op grond van wat ze als persoon zijn, maar als leden van een groep waartoe zij door hun afstamming zouden behoren.

Godsdienst en onderwijs (opinie) - Etienne Vermeersch

Godsdienst en onderwijs - Etienne Vermeersch

Enerzijds moeten we dringend werk maken van een strikt wetenschappelijke, ook historische studie, van de godsdiensten - inclusief hun ‘Kriminalgeschichte’ - waarbij wezenlijke aspecten tot de ‘eindtermen’ moeten behoren. Anderzijds lijkt het me voor de echt gelovigen nuttig geconfronteerd te worden met een moderne ‘theologische’ visie op hun godsdienst: zo kan men jongeren wapenen tegen fundamentalisme en radicalisme.  Etienne Vermeersch

In zijn ‘Opinie’ over ‘Onderwijs’ (De Standaard 2 maart) schrijft Patrick Loobuyck dat ik in mijn vak, christendom, op ‘aanmatigende’ wijze suggereerde dat ik in Vlaanderen de enige was “die durfde te zeggen dat de Bijbelse wonderverhalen door mensen uitgedacht zijn en dat we nauwelijks iets weten over de historische Jezus enz. enz.” Deze volkomen onterechte bewering heeft me diep, zeer diep, gekrenkt. Sinds ik mij, vanaf de jaren ’60, publiek over allerlei standpunten begon te uiten, heb ik er mij steeds voor behoed mij laatdunkend over andere mensen uit te drukken. Als ik ooit anderen als persoon heb bekritiseerd, dan gebeurde dit nagenoeg alleen nadat ik zelf was aangevallen, en altijd met bewijzen van wat ik betoogde.

In mijn recent boek Over God spreek ik, op blz. 67, over mijn grote waardering voor pater Emile de Strycker s.j. als specialist van de vroeg-christelijke teksten. Ik vertel over onze gesprekken betreffende de historiciteit van de evangeliën en zijn strikt wetenschappelijke visie daarop. Tijdens mijn jezuïetenperiode heb ik ook les gehad van de exegeet pater De Fraine s.j. die ons bv. uitlegde dat de zin in het boek Genesis “en ‘Gods Geest’ zweefde over de wateren” volgens het Hebreewse taalgebruik eigenlijk betekende: ‘een hevige wind…’. In de jaren ’70 had ik in het Parkhotel in Gent gesprekken met de latere bisschop van Antwerpen, tevens exegeet, Paul Van den Berghe, over de Formgeschichte en de Redaktionsgeschichte in verband met de studie van het Nieuw Testament. Later heb ik, ook publiek, vriendschappelijke gesprekken gehad over het Jezusprobleem met de eminente exegeet Peter Schmidt.

Hoe zou ik dan ooit, zonder fundamenteel oneerlijk te zijn, in mijn lessen hebben kunnen suggereren dat ik de enige in Vlaanderen was die de moderne exegese kende? Ook bij het nakijken van mijn cursusnota’s vind ik alleen strikt wetenschappelijke, methodologische uiteenzettingen, zonder enige verwijzing naar andere mensen in Vlaanderen. Er is één punt, zegge en schrijve één punt, waarvan ik beweerd heb dat dit vermoedelijk een eigen vondst van mezelf was: nl. dat bij het ontstaan van het verrijzenisgeloof bij de leerlingen van Jezus, zich opeenvolgend twee verschillende vormen van dissonantiereductie hebben voorgedaan. Als Loobuyck dat ergens in een cursus in Leuven geleerd heeft, mag hij dat onmiddellijk citeren.

Het is inderdaad zo dat ik tijdens mijn uiteenzettingen voor studenten, waarvan de meerderheid uit katholieke colleges kwam, een ontstellende onwetendheid inzake het christendom en de evangeliën heb moeten vaststellen. Een meerderheid wist niet eens dat er vier canonieke evangeliën zijn, laat staan dat ze ooit over de ‘synoptische kwestie’ zouden gehoord hebben. Ik heb mijn verbazing daarover herhaaldelijk uitgedrukt. Loobuyck dacht daarbij misschien dat mijn lessen bedoeld waren als een ‘post-graduate’ opleiding na Leuven, maar zover ging mijn pretentie niet.

Zo komen we tot de basisthematiek van deze ‘Opinie’. Vooreerst, de joodse Bijbel (Oud Testament voor de christenen), het Nieuw Testament en de Koran zijn teksten waarvan de betekenis wereldwijd voor miljarden mensen onvoorstelbaar groot is. Wetenschappelijk onderzoek van die teksten (veelal ‘exegese’ genoemd), is dus van kapitaal belang. Maar ook het modern ‘theologisch’ onderzoek; m.a.w. de pogingen om voor de gelovige christenen en moslims een interpretatie te zoeken die niet haaks staat op de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek en op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, kan bijzonder waardevol zijn. De gevaren van fundamentalistische interpretaties van die teksten kan men immers onmogelijk loochenen. Universitaire studies kunnen hierbij zeker een bijdrage leveren, zolang ze wetenschap en mensenrechten respecteren.

In verband met het secundair onderwijs heb ik vorig jaar in een katholiek college (laatste jaar) kunnen vaststellen dat het met de kennis inzake het christendom nog bedroevender gesteld is dan ik vroeger heb ervaren. Bij mijn vraag of Jezus volgens de kerkelijke leer God is, waren er twee meisjes die, aarzelend, ‘ja’ antwoordden; de andere leerlingen waren overtuigd dat dit niet het geval is. Nu ben ik allicht zeer achterlijk, maar ik dacht dat de menswording van God in Jezus Christus één van de centrale dogma’s van alle christelijke kerken (katholieke, orthodoxe, protestantse) was en is. De enige moslim in die klas kende wel de belangrijkste geloofswaarheden van de islam. De heer Boeve heeft ooit betoogd dat er in zijn ‘christelijke’ scholen een dialoog moet mogelijk zijn tussen mensen van de diverse godsdiensten. Ik vraag me echter af waarover die moslim dan wel kan dialogeren. Zijn medeleerlingen weten over hun geloof ongeveer niets.

Als atheïst wil ik dus een betoog houden voor degelijk onderwijs over het christendom. Hiermee bedoel ik geen praat voor brave Hendrikken, maar kennis van de basisteksten, de essentiële dogma’s en de historische ontwikkelingen. Mensen van onze cultuur lopen verloren in hun confrontatie met geschiedenis, literatuur en kunst als die basiskennis ontbreekt. Daarbij zijn twee benaderingen allicht gewenst. Enerzijds moeten we dringend werk maken van een strikt wetenschappelijke, ook historische studie, van de godsdiensten - inclusief hun ‘Kriminalgeschichte’ - waarbij wezenlijke aspecten tot de ‘eindtermen’ moeten behoren. Anderzijds lijkt het me voor de echt gelovigen nuttig geconfronteerd te worden met een moderne ‘theologische’ visie op hun godsdienst: zo kan men jongeren wapenen tegen fundamentalisme en radicalisme. Deze meer specifieke lessen, voor de diverse godsdiensten afzonderlijk, zou men echter buiten de normale schooluren moeten inrichten, zodat ze een facultatief karakter hebben.

In bepaalde opzichten wijken de visies van Loobuyck niet ver af van de mijne. Waarom een uiteenzetting daarover dan gepaard moet gaan met het uiten van gratuite hatelijkheden, ontgaat me volkomen.


Etienne Vermeersch

De auteur is hoogleraar emeritus UGent

De vrijheid van meningsuiting heeft haar rechten

Etienne Vermeersch

De vrijheid van meningsuiting heeft haar rechten

We moeten terughoudend zijn als we de vrijheid van meningsuiting willen aanpakken, vindt Etienne Vermeersch. Om meer dan één reden.

De Standaard - Opinie — De inzichten over het belang van vrijheid van meningsuiting zijn in Europa vooral ontstaan ten gevolge van de Dertigjarige Oorlog, in de zeventiende eeuw. Talloze mensen hadden toen het leven verloren in gevechten die in essentie betrekking hadden op de vraag wat de juiste vorm van christendom was: de protestantse of de katholieke. Pierre Bayle stelde vast dat er aan beide zijden intelligente en deugdzame mensen waren, die toch van mening verschilden over die centrale vraag. Blijkbaar was het antwoord daarop niet evident. Het principe dat alleen de waarheid rechten heeft en de leugen niet, was in deze context niet vol te houden. Er was immers geen absolute neutrale instantie die kon beslissen wat de waarheid was. Door vrijheid van meningsuiting kunnen alle opinies aan bod komen en alleen dat maakt het mogelijk dat uiteindelijk de waarheid komt bovendrijven.

Uitgaande van dit basisargument, komt men tot de wezenlijke vraag of die vrijheid ook grenzen kent. Vanuit een moreel uitgangspunt ligt het voor de hand dat we het goede nastreven en het kwade afwijzen. In verband met een maatschappij-ordening gaan we echter niet zover dat alles wat immoreel is, ook wettelijk verboden wordt. Ontrouw in vriendschappen, leugen, vernederende opmerkingen... verdienen onze afkeuring maar worden niet door de strafwet beteugeld.

Khaybar

Zo'n terughoudendheid is nog veel meer wenselijk in verband met het uiten van meningen. Uitspraken die men op een bepaald moment verfoeide, bleken achteraf toch waar en positief te zijn. Veel mensen die vroeger vanwege hun mening werden opgesloten of levend verbrand, hebben achteraf gelijk gekregen. Wat op een bepaald moment verboden was, wordt later soms waardevol. Tijdens mijn jeugd bijvoorbeeld was het aanprijzen van contraceptieve middelen nog verboden.

Een tweede reden waarom men met het beteugelen van uitspraken voorzichtig moet omspringen, ligt in het feit dat het heel moeilijk is nauwkeurige criteria te vinden voor wat mag en niet mag.

Wanneer bij een betoging geroepen wordt 'Khaybar Khaybar ya yahud' zullen mensen die niet vertrouwd zijn met de islam, daar geen aanstoot aan nemen. 'Jood herinner u Khaybar' luit de vertaling en Khaybar was een joodse nederzetting die door Mohammed werd veroverd, waarna de inwoners horigen werden. Even later werden ze allemaal zelfs uit Arabië verdreven. Deze kreet zet dus aan tot agressie tegen de joden. Men zou zoiets kunnen verbieden als aansporing tot geweld. Maar wat indien men enkel 'Khaybar' roept? Of stel dat een imam oproept tot 'jihad' en achteraf zegt dat hij eigenlijk de 'grote jihad' bedoelde: de innerlijke strijd tot zelfverbetering. Het feit dat mensen voortdurend codes kunnen afspreken, maakt het efficiënt verbieden van uitspraken tot een hachelijke onderneming.

Er is een derde nadeel bij verbodsbepalingen zoals bij het negationismeverbod: het wordt onmogelijk om daarna de diverse vormen ervan intellectueel te weerleggen: wat niet publiek geuit wordt, kun je niet efficiënt bestrijden.

Een wettelijk verbod op bepaalde meningsuitingen moet dus nauwkeurig omschreven kunnen worden. Een eerste voorbeeld is
laster en eerroof (wat niet hetzelfde is): in beide gevallen wordt directe ernstige schade aan medemensen toegebracht. In andere voorbeelden is het essentieel de context erin te betrekken. Neem de uitspraak 'Kinderverkrachters moet men zonder vorm van proces ophangen'. Wanneer zoiets in een artikel voorkomt, is dat immoreel, maar dat hoeft niet wettelijk verboden te worden. In een concrete context waarin een groep mensen een kinderverkrachter betrapt, kan zo'n uitspraak leiden tot het effectief ophangen van deze persoon. Het spreekt vanzelf dat men een dergelijke directe aansporing wel moet kunnen bestraffen.

Wanneer we dus onze wetgeving rond de vrije meningsuiting willen verstrengen, moeten we ons afvragen of de huidige 'oorlogstoestand' vergelijkbaar is met een context waarin bepaalde uitspraken tot onmiddellijke uitvoering aanleiding geven. Mij lijkt dat niet echt het geval. Men zou aanzetten tot het 'bestrijden' van de westerse beschaving als een oproep tot geweld kunnen zien, maar
is het 'bestrijden' van salafisten of moslimbroeders dan ook zo te interpreteren? Dan zullen heel wat misprijzende of veroordelende uitingen niet meer mogelijk zijn. Wie de geschiedenis van dergelijke verbodsbepalingen nagaat, zal vaststellen dat ze dikwijls ook belangrijke vormen van maatschappijkritiek onmogelijk maken.

Ten slotte nog een laatste opmerking. De vrijheid van meningsuiting betekent niet dat men aan iedereen een tribune moet geven. Men kan bijvoorbeeld bepaalde imams beletten te spreken in een moskee die overheidssteun krijgt. Men kan mensen de toegang tot kranten of andere media ontzeggen. Zolang er geen algemeen strafrechtelijk spreek- of schrijfverbod is, wordt de vrijheid van meningsuiting daarmee niet echt in het gedrang gebracht.

VERDOOFD SLACHTEN HOEFT HELEMAAL NIET PROBLEMATISCH TE ZIJN

Etienne Vermeersch (Opiniestuk - De Standaard)

Volgens de Koran is God barmhartig (dus ook voor dieren)

Onlangs besliste de Raad van State dat een verbod op onverdoofd slachten in strijd is met de godsdienstvrijheid. Maar dat zo’n verbod een moslim in gewetensnood brengt, is compleet onwaar, schrijft Etienne Vermeersch. Dat staat zo in de Koran, en wel meermaals.

Wie? Hoogleraar emeritus filosofie (UGent).

Wat? Door in te stemmen met een humanere wetgeving inzake slachten, zou de Moslimexecutieve aan iedereen kunnen duidelijk maken hoe centraal de barmhartigheid van God in zijn geloof staat.

"Etienne Vermeersch krijgt LEIFtime Achievement Award voor inzet voor euthanasiewetgeving"

LEIFtime Achievement Award

Filosoof Etienne Vermeersch kreeg maandagavond in Gooik de derde 'LEIFtime Achievement Award' uitgereikt, voor zijn jarenlange inzet voor euthanasiewetgeving. Dat meldt Wim Distelmans, voorzitter van het LevensEinde InformatieForum (LEIF). Distelmans brengt in herinnering dat Vermeersch de eerste was die erop wees dat mensen een zelfgekozen levenseinde moesten kunnen hebben. "Dat was al in 1971, op de toenmalige BRT", aldus Distelmans. Als voorzitter van het raadgevend comité voor bio-ethiek stelde Vermeersch ook als eerste een definitie op van euthanasie.

Etienne Vermeersch over ethiek en zorg

Harold Polis
Etienne Vermeersch door Jan Locus

De manier waarop we over grote ethische vragen spreken en denken is de afgelopen decennia ingrijpend veranderd. Een van de wegbereiders van die veranderingen is zonder meer ethicus Etienne Vermeersch. Hoe kijkt hij naar de ontwikkelingen in de zorg?

Jarenlang woedde er, ook in ons land, een intens debat over ethische hete hangijzers, zoals abortus en euthanasie. De debatten hadden een grote maatschappelijke en juridische dimensie, maar groeiden ook uit tot emotioneel geladen symbooldossiers. Zeker bij de aanvaarding van euthanasie speelde Etienne Vermeersch (1934), emeritus-hoogleraar en ere-vicerector aan de Universiteit Gent, een belangrijke rol, als professioneel ethicus en als publiek intellectueel.

Herman De Dijn en Etienne Vermeersch bekampen elkaar voor het eerst in een interview

Joël De Ceulaer

De komende twintig zaterdagen kunt u in De Morgen kennismaken met de grootste denkers aller tijden. Bij de start van die boekenactie hoort een gesprek met twee van de grootste denkers van Vlaanderen. Etienne Vermeersch (81) en Herman De Dijn (72) houden er graag andere ideeën op na. 'Dat is wat jij niet kunt erkennen, Etienne: de tragiek van het leven.'

"Met de achteruitgang van het geloof is de interesse in filosofie sterk toegenomen", zegt Herman De Dijn. "Dat is wellicht geen toeval. Mensen willen antwoorden, oplossingen, zekerheid. Wat ze vijftig jaar geleden aan de pastoor vroegen, vragen ze vandaag aan de filosoof. Maar de filosoof heeft geen definitieve antwoorden. Dat is niet de bedoeling. Voor mij is filosofie vooral een verfijnd soort plezier. Ik doe het in elk geval zeker niet om de wereld te verbeteren."

"Ik zie dat toch anders", zegt Etienne Vermeersch. "Voor mij is een filosoof iemand die in staat is om een probleem te onderzoeken, en die kan helpen bij het vinden van een oplossing. Daar heb ik mij altijd sterk voor geëngageerd. Vooral door mijn bijdrage aan het euthanasiedebat heb ik toch geprobeerd om de wereld een beetje te verbeteren."

De Kesel is een bisschop, ik vooralsnog niet

Etienne Vermeersch - Opinie

Ik verdedig geen ‘absolute vrijheid van meningsuiting’: ik sluit me ten volle aan bij de beperkingen die traditioneel in België gangbaar waren. Racistische en negationistische uitspraken vormen echter een heel apart geval. Mein Kampf, zopas opnieuw uitgegeven, bevat zowat het summum van racistische uitspraken. Redelijke mensen vinden het echter beter deze teksten opnieuw bekend te maken, zodat men ze ook terdege kan weerleggen, eerder dan ze ongemoeid verder te laten woekeren. Hetzelfde geldt uiteraard voor negationisme.  Etienne Vermeersch

 

Zowel hijzelf (over negationisme) als Jozef De Kesel (over euthanasie) heeft een uitspraak gedaan waarmee juridisch geen enkel probleem is, zet Etienne Vermeersch de puntjes op de i. Wel is er dit verschil: De Kesel heeft institutioneel gezag, wat zijn uitspraken minder vrijblijvend maakt.

Wie? Hoogleraar emeritus. 

Wat? De kwestie-De Kesel heeft niet zozeer te maken met vrije meningsuiting, het probleem is vooral dat hij een beslissing van een ziekenhuisbestuur tussen de arts-patiëntrelatie probeert te wrikken.

 

Mark Van de Voorde heeft mijn uitspraken niet begrepen, zo blijkt uit zijn opiniestuk ‘Waarom mag Vermeersch wat De Kesel niet mag’ (DS 9 januari)

Ik zal het eens simpel uitleggen. 

In België is een meningsuiting traditioneel alleen strafbaar als er laster of eerroof mee gemoeid is of een directe aansporing tot strafbare feiten. Later is daar (onder meer) het verbod van racistische, xenofobe en negationistische uitspraken bijgekomen. De vraag of de geuite meningen onwaar, verfoeilijk of immoreel zijn, doet in deze context niet ter zake. Meningsvrijheid geldt volgens het Europees Hof immers ook voor uitingen ‘die beledigen, schokken of de Staat of een deel van de gemeenschap in verwarring brengen’.

Zowel mijn uitspraak inzake negationisme als die van aartsbisschop De Kesel over euthanasie hebben aanleiding gegeven tot ophef in de sociale en andere media. Niemand heeft echter geopperd dat ze juridische gevolgen konden hebben. Het artikel van Van de Voorde is dus zonder voorwerp: De Kesel mag exact wat Vermeersch mag, en omgekeerd. 

De ‘zonde’ van een Volksunie-stem

Toch is er, moreel gezien dan, een verschil. Ikzelf heb geen enkel institutioneel bekrachtigd gezag. De Kesel heeft als bisschop gezag over zijn priesters: zij leggen bij de wijding de belofte af van ‘eerbied en gehoorzaamheid’; als lid van een ziekenhuisbestuur zouden ze zich door zijn stellingname gebonden kunnen achten. 

Misschien kunnen zelfs gelovigen zich nog door bisschoppelijke uitspraken laten misleiden. Toen bisschop Emiel Jozef De Smedt in 1958 in een ‘herderlijke’ brief betoogde dat stemmen voor de Volksunie een zware zonde was, bracht hij veel mensen in gewetensnood. De tijden zijn veranderd, maar misschien blijft er van die mentaliteit nog iets hangen. 

Van de Voorde zelf lijkt in verband met mijn uitspraak wel een juridisch aspect te suggereren: ‘Een mening die wel strafbaar is.’ Dat is een nogal pijnlijke uitschuiver: een uitspraak over negationistische uitspraken is immers zelf geen negationistische uitspraak. Althans in mijn universiteit leert men het onderscheid tussen taal en metataal, uitspraak en meta-uitspraak. Ik verdedig geen ‘absolute vrijheid van meningsuiting’: ik sluit me ten volle aan bij de beperkingen die traditioneel in België gangbaar waren. Racistische en negationistische uitspraken vormen echter een heel apart geval. Mein Kampf, zopas opnieuw uitgegeven, bevat zowat het summum van racistische uitspraken. Redelijke mensen vinden het echter beter deze teksten opnieuw bekend te maken, zodat men ze ook terdege kan weerleggen, eerder dan ze ongemoeid verder te laten woekeren. Hetzelfde geldt uiteraard voor negationisme. 

Misschien kan ik de diepe fundering van onze opinievrijheid als volgt duidelijk maken. De Bijbel en de Koran worden beschouwd als geopenbaard door een oneindig goede en wijze God. In beide boeken keurt die God de slavernij goed, een mensonterend, volstrekt immoreel instituut. Die God is dus niet oneindig goed en wijs, en daaruit volgt dat hij niet bestaat. Voor mij is dat een evidente waarheid. Ik ken echter intelligente en eerlijke mensen die dat inzicht niet volgen. De waarheid heeft haar rechten, maar dat geldt ook voor het respect voor de medemens. Trouw zijn aan mezelf kan dus alleen als ik die waarheid poog te verspreiden, maar dan zonder dwang, macht of louter formeel gezag. Alleen een beroep op de rede en op de diepe emoties die met medemenselijkheid gepaard gaan, zijn hier aanvaardbaar. Zo kan men een discussie aanvatten over wat met ‘openbaring’ bedoeld wordt. In het privéleven leidt zo’n houding tot verdraagzaamheid, in het maatschappelijke tot de vrijheid van meningsuiting. 

Een bestuur heeft geen geweten

Toegepast op het pleidooi van De Kesel inzake euthanasie, kunnen we op het rationele vlak de volgende vaststelling voorleggen. In tegenstelling tot wat ‘juristen’ beweren, heeft de wetgever wel degelijk de uitbreiding van de ‘gewetensclausule’ naar rechtspersonen afgewezen. Tweemaal werd een expliciet amendement daarover in de Senaatscommissie met een ruime meerderheid verworpen. In de Kamer werd een analoog amendement eveneens weggestemd. Dat de sociaal-democraat Fred Erdman ter zitting een andere mening uitte, is – vergeleken met deze formele stemmingen – irrelevant. Tussen de wens van de lijdende patiënt en de gewetensbeslissing van de arts erkent de wetgever dus geen andere instantie. Wel kunnen andere individuen die bij de handeling betrokken zijn, eveneens de gewetensclausule inroepen. 

Het stuitende van de visie van De Kesel ligt echter vooral op het morele vlak: hij eist een omkering van de waarden. Fundamenteel in onze beschaving is het respect voor de persoonlijke gewetensbeslissing en het mededogen met de lijdende medemens. Bij de patiënt gaat het om een noodkreet in een ultieme situatie, die bij Bach luidt ‘Wenn mir am allerbängsten wird um das Herze sein’. Bij de arts gaat het erom zijn vakopleiding en zijn deernis om de lijdende mens af te wegen. Dat is de meest intieme ‘wij-belevenis’ die mensen kunnen hebben. En daar wenst De Kesel de beslissing van een ziekenhuisbestuur tussen te wrikken: een instantie die geen geweten heeft – alleen mensen hebben dat – en die geen benul heeft, niet van het lijden van de patiënt en niet van de overwegingen van de arts. Het mededogen van de barmhartige Samaritaan, het zelfbeschikkingsrecht van de verlichting: met een ijzige gevoelskilte worden die basiswaarden te grabbel gegooid.