Een identiteit voor alle vlamingen

Artikel
Etienne Vermeersch

Aristoteles was al tot de bevinding gekomen dat de mens van nature een sociaal wezen is. Van geboorte tot dood kan hij zich slechts met de hulp van zijn medemensen in stand houden. Maar ook om zichzelf te worden, om een 'identiteit' te vinden, moet hij zich spiegelen aan een groep. Naast die 'identiteitsvorming' bestaat een tweede spontane tendens. In onze jeugd heeft de aangeboren neiging tot exploreren veelal geleid tot een bijzondere band met het terrein van onze eerste zoektochten. Zo'n 'heimatgevoel' betreft de streek, de mensen en de taal van onze kinderjaren. 

Identiteitsvorming en heimatgevoel kunnen, maar hoeven niet altijd samen te vallen. In de antieke teksten vinden we vooral het thema van heimwee naar de geboortegrond (Daedalus bij Ovidius, Meliboeus bij Vergilius...), maar vanaf de elfde eeuw ontstaan er in West-Europa teksten die zowel op de bevolking als op het land betrekking hebben. Denk aan het mooie suavis Suevorum Suevia(lieftallig Zwabenland van de Zwaben), maar vooral aan het Chanson de Roland: ,,de plusors choses a remembrer li prist de dolce France e des Franceis dont il est si cheriz.''(aan vele dingen kwam de herinnering op, aan het lieflijke Frankrijk en aan de Fransen die er zo van houden). En bij ons was er De laude Flandriae(Lof van Vlaanderen) van Petrus Pictor, even voor 1100. Het gedicht begint als volgt: ,,Flandria dulce solum, super omnes terra beata''(Vlaanderen, lieflijke grond, land boven alle andere zalig), maar in de laatste strofe, waarop ik terugkom, gaat het ook om de bewoners.

Er is niets mis met dat heimatgevoel, die affiniteit met de mensen en het land waar men geboren en getogen is, en ook in de drang tot identificatie met een groep zit een positieve waarde: de neiging tot samenwerking met andere mensen. Maar de sympathie voor het "eigen volk" gaat nogal eens gepaard met een minachtende of zelfs vijandige houding tegenover "vreemden". De doorbraak van het nationalisme in de negentiende en de twintigste eeuw versterkte nog beide tendensen. Vanaf de zestiende eeuw werden in een aantal landen de feodale vorstendommen tot een hecht geheel samengesmeed. Hieruit ontstond een zo sterk besef van onderlinge relaties dat, toen in Frankrijk het koningschap - de unificerende factor - wegviel, la Nationde plaats kon innemen als grondslag van eenheid en soevereiniteit.

Het inzicht dat de basis van de soevereine staatsmacht bij "de natie", lag, bracht in heel Europa een zoektocht op gang naar criteria voor dit natiebesef. In de landen zonder overkoepelende natiestaat zocht men de grondslag voor de soevereiniteit in "het volk". Maar de criteria om zich als één volk te ervaren, waren wel heel uiteenlopend. In Ierland was het katholiek zijn beslissend; in Vlaanderen de taal; in de Balkan gaf nu eens taal, dan weer de godsdienst de doorslag. Zodra een voldoende aantal mensen zich als volk ervoer, wou men daar dringend een rechtvaardiging voor zoeken: verwijzingen naar de eigen geschiedenis, de eenheid van cultuur, de solidariteit van belangen en samen geleden onrecht, het werd allemaal met vlijt gezocht, ontdekt, en eventueel gefabriceerd.

Het besef van "volkse" of "nationale" identiteit (niet noodzakelijk hetzelfde) heeft een sterke motiverende kracht. Zowel in de propaganda als in de zelfwaardering lijkt het nauw verbonden met hoogstaande ethische houdingen: trouw en onbaatzuchtige inzet voor de "volksgenoten". Wellicht verklaart dat mede de enorme dynamiek die het nationalisme kon ontketenen. Maar die dynamiek bleek niet onschuldig. In de zestiende en de zeventiende eeuw werd ons continent nog geteisterd door godsdienst als groepswaan, maar in de negentiende en de twintigste eeuw zette het nationalisme het in vuur en vlam. En alle leed is nog niet geleden.

Bij het hanteren van de uitdrukking "Vlaamse identiteit" is dus enige voorzichtigheid geboden. Alleen een benadering die rekening houdt met de huidige ethische verworvenheden kan starre aanhankelijkheid vervangen door niet-unieke, gedifferentieerde vormen van medemenselijkheid.

Onze eerste zorg mag, moet zelfs, naar die mensen gaan die ons onmiddellijk nabij zijn. De biologisch bepaalde drang naar zelfbehoud wordt door de psychisch gezonde mens spontaan uitgebreid naar zijn naaste familieleden en vrienden, en hij doet dat, vaak onbewust, omdat hij hun welzijn als een deel van zijn eigen welzijn beschouwt: omdat hij zich met hen "identificeert".

Wie het zinvolle van zo'n identificatieproces aanvoelt, beseft ook dat we het nog verder moeten uitbreiden: als de mensen van mijn buurt, van mijn werkkring, het goed maken, dan draagt dat uiteindelijk bij tot het eigen welzijn. Ook met hen die ons door taal, godsdienst, ideologie of belangstelling nabij zijn, kunnen we ons "identificeren". Maar waarom zouden we met dit gevoel van samenhorigheid aan een bepaalde grens halt houden? Als gemeenschappelijke belangen en het herkennen van eigen kenmerken bij de andere, de oorsprong vormen van empathie en identificatie, dan is de echte groep waarmee we ons in dit spaceship earthten volle één kunnen en moeten voelen, momenteel de hele mensheid, met inbegrip van wie na ons komt.

De bijna exclusieve relatie tussen individu en natie is niet langer verdedigbaar: andere vormen van gemeenschapszin kunnen ethisch gezien een meer urgent karakter hebben. Zo verdienen mensen in extreme nood bij hoogdringendheid onze solidariteit. Dat alles sluit echter een bijzondere band met eigen staat en volk niet uit en dus ook niet het besef van een aparte "identiteit".

Voor Vlamingen wordt die band bepaald door het geheel van interacties binnen de Belgische (stilaan ook Europese) context, maar vooral ook door de typisch Vlaamse netwerken van communicatie en interactie: taal, onderwijs, media, culturele activiteiten, enzovoort. De Vlaamse "identiteit" van elk van ons bestaat erin dat wij een knooppunt vormen in zo'n netwerk van relaties met andere mensen in dit land - onze heimat in brede zin - en dat we via onderwijs, materiële en culturele omgeving en gemeenschappelijke belevenissen, in grote mate elkaars naasten zijn. Door de ervaring van zo'n identiteit staan we minder eenzaam in de wereld, maar nemen we ook een aantal solidariteitsplichten op ons. Daartoe behoren, naast bijdragen aan het welzijn van iedereen (vooral van de zwakkeren), ook de zorg voor het behoud en de uitbreiding van ons hele cultuurpatrimonium in al zijn uitingen en het in stand houden van een waardevol leefmilieu.

Hierbij moet ik opmerken dat, voor het grootste deel van wat men in de brede betekenis "cultuur" noemt, de kinderen van allochtonen die hier opgevoed zijn nauwelijks van ons verschillen: ze staan in dezelfde relatie met onze "heimat", onze vorming en onderwijs, en onze medemensen. Ze hebben dus in de volle zin van het woord een Vlaamse identiteit en wie ze voorhoudt dat ze op grond van biologische afstamming (op raciale grond, dus) tot een ander (bijvoorbeeld Arabisch) volk behoren, baseert zich op dezelfde achterlijke maatschappijvisie en ethiek als het Vlaams Blok.

We moeten toegeven dat uitsluiting door ons, autochtonen, hen eveneens in de verkeerde richting drijft; wij vooral moeten dus garanderen dat de nieuwe Vlamingen zich in alle opzichten volwaardige medeburgers voelen. Ooit zullen ook zij dan in volle authenticiteit het vers van Petrus Pictor tot het hunne kunnen maken, daar waar hij in zijn laatste strofe de wens uitdrukt: ,,Flandria mitto vale, pia Flandria terra piorum'': het ga u goed, minzaam Vlaanderen, land van minzamen... goed Vlaanderen, land van de goeden..., rechtschapen Vlaanderen, land van rechtschapenen'', en als volgt eindigt: ,,mando remando vale, mea Flandria terra meorum.''Ik wens en ik wens u opnieuw, vaar goed, mijn Vlaanderen, land van de mijnen.