Het Scheermes van Ockham

Artikel
Etienne Vermeersch
Wikimedia Commons - Ockham

Skeptici hangen dogmatisch geen enkel principe aan, maar zoals alle mensen met gezond verstand gebruiken ze vuistregels die al talloze malen hun praktische of theoretische bruikbaarheid bewezen hebben. Zodra echter blijkt dat deze vuistregels niet volstaan, zullen ze andere gebruiken. Een eenvoudig voorbeeld: wanneer je iemand konijntjes uit een hoed ziet halen, dan is de vuistregel te denken dat hij een goochelaar is; iemand die onmiddellijk denkt dat daarbij bovennatuurlijke krachten gebruikt worden, is tot nu toe altijd tot de bevinding gekomen dat hij "teveel" verondersteld had. 

Het scheermes van Okham zegt: "entia non sunt multiplicanda praeter necessitatem" : "je moet het aantal zijnden niet groter maken dan nodig". Bv. wanneer je een fenomeen kunt verklaren door de werking van drie krachten, is het niet nuttig er ook nog een vierde bij te veronderstellen. Kortom de meest eenvoudige verklaring is meestal de beste. Soms kan dat eens anders uitvallen, maar dan merk je dat wel bij verder onderzoek.
Het scheermes van Okham is echter vooral nuttig als de supplementaire kracht die je veronderstelt (bv. magische krachten, directe ingreep van god, ingreep door de geest van overledenen, enz.) nog nooit enig bewijs van zijn bestaan geleverd heeft en vooral als dat bestaan strijdig is met de totaliteit van onze degelijk bevestigde wetenschappelijke inzichten. Al degenen die fenomenen wilden verklaren bij middel van overbodige entiteiten zoals, kabouters, elfjes, tovenarij, rituelen, geesten, paranormale krachten enz., hebben tot nu toe altijd moeten vaststellen dat hun verklaring niet met de echte feiten strookte: er was een eenvoudiger verklaring.

prof. Etienne Vermeersch

Reactie van een lezer:

Het zwakke punt van het scheermes van Ockham is niet het principe maar de persoon (c.q. de wetenschappelijke cultuur waar deze persoon onderdeel van uitmaakt) die dit principe toepast. Voor het toepassen van dit principe is een referentiekader noodzakelijk en als dat niet adequaat is èn de persoon in kwestie is niet moedig of intelligent genoeg om dit te beseffen, dan hebben wij een probleem. Ik zal een heel onaangenaam voorbeeld geven...

In het voorgaande kwam het stimuleren van delen van de hersenen ter sprake wat tot gevolg had dat de proefpersoon "mystieke" ervaringen kreeg: uittreden, godservaren, etc. Conclusie: allemaal onzin dus deze mystieke ervaringen van mensen want hier blijkt gewoon een electro-fysische oorzaak aan ten grondslag te liggen! Tja...

Meent u werkelijk dat in dit heelal toveren bestaat? Dat het mogelijk is om "echte" ervaringen te hebben ZONDER dat ons lichaam ergens in staat moet zijn om dit te vertalen in een gewaarwording? U ruikt dus altijd zonder neus?! Deze proefneming heeft alleen maar aangetoond dat het menselijk brein in staat is om deze gewaarwordingen te hebben. Over de oorzaak van dit soort ervaringen buiten de context van dit experiment weten wij helemaal niets af. Ook kunnen wij weinig zeggen over het werkelijkheidsgehalte van datgene wat zo'n persoon meende te ervaren. We weten het gewoon niet! Kortom: dat scheermes van Ockham is slechts bruikbaar in "vertrouwde" situaties waar men kan beschikken over een adequaat referentiekader. Helaas heeft de wetenschap de onhebbelijke drang om iedere situatie te rangschikken binnen de categorie "vertrouwde situaties".

Naam en adres bekend

Reactie Etienne Vermeersch:

Tot ver in de 17de eeuw - en voor velen nog tot op heden - meende men wel degelijk - of meent men nog - dat in het heelal toveren bestaat. De reden waarom rationeel denkende mensen dat nu niet meer menen is juist het gevolg van het feit dat we niet alleen in vertrouwde situaties, maar heel algemeen het scheermes van Okham toepassen. We stellen vast dat zowel de gedragsmechanismen als de neurofysiologische substraten die gepaard gaan met het gebruik van het reukorgaan "de neus", reeds bij heel eenvoudige biologische organismen bestaan; we stellen ook vast dat de waaier van mogelijkheden ervan, de gevoeligheid voor leerprocessen en het verband met gedrag waarbij we een vorm van gewaarwording of bewustzijn veronderstellen, gepaard gaan met specifieke vormen van complexiteit op neurofysiologisch vlak. Zeggen dat er daarbij nog een andere entiteit aanwezig is, die we hoegenaamd niet waarnemen en die we voor het verklaren van de processen niet nodig hebben, is een totaal overbodige hypothese en om die te elimineren gebruiken we het scheermes van Okham.

Als primitieve mensen voor het eerst de motor van een auto zien draaien, dan zeggen ze: er zit een geest in die motor (the ghost in the machine) als ze Okham zouden gebruiken, ook buiten "vertrouwde situaties" zouden ze begrijpen dat het ook zonder die geest kan.

Uiteraard kunnen wij niet bewijzen dat er in die motor geen "geest" zit: we weten alleen dat die om te draaien uit die en die componenten moet bestaan. Overbodige hypotheses (die niet bijdragen tot verklaring) kun je naar hartelust veronderstellen en je kunt zelfs zeggen dat we het niet-bestaan ervan niet kunnen bewijzen. Maar het interesseert ons helemaal niet het niet-bestaan te bewijzen van zaken we niet nodig hebben en die men tot in het oneindige kan uitvinden. De bekoring om naar overbodige hypotheses te verwijzen is vooral groot wanneer een fenomeen nog niet een afdoende verklaring gekregen heeft. Sommige wetenschappers laten zich door die lokroep in verwarring brengen en dat is spijtig, want dwaalwegen zijn tijdverlies. De geschiedenis van de wetenschap laat dan ook een kerkhof achter zich van begraven overbodige hypotheses. Of wat vriendelijker uitgedrukt: vroeg of laat belanden al die overbodige entiteiten in de hemel van geesten, kabouters en elfjes. Maar skeptici hebben niets tegen sprookjes, alleen plaats je ze best niet op de boekenplank van ernstige wetenschap. Om die boekenplank vrij te houden van parasieten gebruik je best het scheermes van Okham.