Etienne Vermeersch

Pleidooi tegen rootisme

Door de recente gebeurtenissen in verband met het Turkse referendum komt een betoog dat ik sinds 2002 houd tegen rootisme opnieuw in de actualiteit.

Ik beschouw het meer en meer als een belangrijke opgave voor de komende jaren dat we mensen van ‘allochtone’ afkomst ervan overtuigen dat het rootisme, zowel om pragmatische als om ethische redenen een verkeerde houding is. Etienne Vermeersch

Men kan ‘rootisme’ definiëren tegen de achtergrond van de (correcte) definitie van ‘racisme’. Racisme is de overtuiging (en de hiermee samenhangende houdingen) dat mensen bepaald zijn, veelal in negatieve zin, door een reeks echte of denkbeeldige eigenschappen die ze, op grond van biologische afstamming met een groep gemeen zouden hebben. Een racist definieert andere mensen op grond van hun genetische oorsprong. Hij overlaadt hen met stigmata, niet op grond van wat ze als persoon zijn, maar als leden van een groep waartoe zij door hun afstamming zouden behoren.

Racisme is mateloos dom omdat de maatschappelijk relevante menselijke kenmerken niets te maken hebben met biologische groepseigenschappen. Het is ook afschuwelijk onrechtvaardig en dus immoreel, omdat niemand verantwoordelijk is voor zijn biologische afstamming.

Wat ik rootisme noem, is niet zo verderfelijk als racisme, maar het heeft er een heel verdacht aspect mee gemeen. De term verwijst naar het woord ‘roots’, wortels. Rootisme bestaat er in dat mensen zichzelf op biologische gronden definiëren: de rootist is overtuigd dat de eigen identiteit bepaald wordt door biologische afstamming. Als jongeren in Vlaanderen of Nederland, die hier geboren en getogen zijn, zich toch als Marokkaan of Turk, binnenkort als Afghaan, beschouwen, dan baseren ze zich op het feit dat ze biologisch van Marokkanen, Turken, enz. afstammen. Daar waar de racist anderen wegens hun afstamming in een vakje duwt, plaatst de rootist zichzelf om dezelfde reden in een vakje. Veelal gaat hierbij de overtuiging gepaard dat men aan de eigen roots trouw moet blijven: bv. de Marokkaanse, Turkse, enz. nationaliteit, cultuur, godsdienst.

In feite is dat een tegennatuurlijke houding. Normale mensen identificeren zich, en voelen zich solidair met andere mensen, op grond van nabijheid en gemeenschappelijke belangen en risico’s. De ‘naaste’ is die met wie men het meest nabij is: familie, buurt, werkkring, gemeente… en die mensen waarmee men via belangrijke netwerken verbonden is: dezelfde scholen, gezondheidszorg, sociale zekerheid, nutsinstellingen, rechtssysteem, enzovoort. Kortom, de eigen gemeenschap en het eigen land.

Wanneer mensen zich bij voorkeur verbonden voelen met mensen van een ander land of zich een nationaliteit toedichten, niet op grond van feitelijke relaties, maar op basis van biologische afstamming, dan is dat een uiting van racisme of minstens van rootisme, en dus te verwerpen.

 

Men kan zich wel wereldwijd verbonden voelen met anderen op grond van aanleg (bijvoorbeeld voor wiskunde), of belangstelling (bijvoorbeeld voor muziek), of wereldbeschouwing (bijvoorbeeld als atheïst), of eventueel wegens het aanhangen van dezelfde godsdienst; maar dit alles heeft niets te maken met biologische groepseigenschappen.

Zolang het rootisme zich beperkt tot enige sympathie voor het land van herkomst van de ouders, is dat vrij onschuldig. Als het echter zo ver gaat dat men de gebeurtenissen in dat land als de eigen gebeurtenissen ervaart, en de vijandschappen die daar heersen mee beleeft, dan betekent dit een verraad tegenover het eigen land en de eigen medeburgers.

 

Het eigen land is dit waarin men geboren is, waarin men is opgevoed en waarin men verder zijn leven wenst te leiden.
Een dubbele nationaliteit, als die bij enkelingen voorkomt of beperkt blijft tot de eerste generatie migranten (waarbij het land van oorsprong wel degelijk hun eigen land is), kan aanvaard worden. Een dubbele nationaliteit voor mensen die hier geboren en getogen zijn, is niet evident en als blijkt dat die tot extreme vormen van rootisme leidt, zoals momenteel bij bepaalde would-be-Turken het geval is, moeten we dat als een aberratie beschouwen.

 

Zolang het ideaal van wereldburgerschap niet gerealiseerd is, blijft het gewone burgerschap van het land (eventueel regio) uitgedrukt in een unieke formele ‘nationaliteit’, de normale vorm van identificatie en solidariteit, zodra men het niveau van directe face-to-facecontacten te buiten gaat.

 

Ik beschouw het meer en meer als een belangrijke opgave voor de komende jaren dat we mensen van ‘allochtone’ afkomst ervan overtuigen dat het rootisme, zowel om pragmatische als om ethische redenen een verkeerde houding is.

 

Etienne Vermeersch