Etienne Vermeersch (inleiding wiskunde) en de overbevolking (lezing)

Professor Etienne Vermeersch over de problematiek van de overbevolking. 15 februari 2012 Liberaal Archief, Kramersplein 23, 9000 Gent Organisatie debat: Liberales - Producent opname: Tom Schoepen - Opname: beeldstorm
 

Aanvaardingsrede door prof. Etienne Vermeersch bij de uitreiking van de Prijs Vrijzinnig Humanisme 2011

Artikel

Ik heb me soms afgevraagd waarom ik dat eigenlijk doe: het is zoveel gemakkelijker je eens en voorgoed bij de ideeën van een bepaalde groep aan te sluiten en die in grote lijnen te volgen. Maar sinds ik het pad van de vrijzinnigheid, het vrije denken, gekozen heb, voel ik me ook verplicht ieder belangrijk probleem zelfstandig te onderzoeken en de conclusies van mijn autonoom denken oprecht mede te delen. Mijn meningen kunnen natuurlijk fout zijn, maar ze zijn wel het resultaat van een eerlijke poging tot inzicht. Zodra ik tot een doordacht besluit gekomen ben, zeg ik: "Hier stehe ich, ich kann nicht anders." Je verliest dan wel medestanders en soms zelfs vrienden aan uiteenlopende zijden. Etienne Vermeersch

 

Een van de Bijbelpassussen die Bertrand Russell volgens zijn autobiografie zijn hele leven door gekoesterd heeft, is de aanmaning in Exodus 32:2: "Thou shall not do evil, following a multitude", "gij zult een menigte niet volgen in het kwaad."

Alle verhoudingen in acht genomen, meen ik toch iets met Russell gemeen te hebben. Ook voor mij geldt dat ik mijn leven lang telkens opnieuw gepoogd heb het ware en het goede te zoeken op het gebied van kennis, ethiek en maatschappijordening. En ook al was het niet zozeer de bekoring van de menigte die voor mij problemen stelde, toch was er ook dat besef soms alleen te staan. Dit kwam bij mij vooral tot uiting in de ontmoeting met mensen die dezelfde doelen leken na te streven en toch tot andere conclusies kwamen.

Sinds mijn vroege kinderjaren was het voor mij een bevreemdende en vaak ook pijnlijke vaststelling te moeten ervaren dat mensen die ik als eerlijk en intelligent beschouwde, toch op allerlei gebieden van mening verschilden.

Ook binnen het levensbeschouwelijk milieu waarin ik opgroeide, het katholiek Vlaamse, waren de tegenstellingen al legio. In mijn familie waren er zwarten en witten, diepgelovigen en meer geseculariseerden. Aan de ene kant had ik een tante nonneke die moeder-overste was en aan de andere kant een neef die als paardendief achter de tralies vloog.

Naarmate ik opgroeide, kregen die tegenstellingen een meer intellectueel karakter: wat was de waarheid inzake de oorsprong van de werkelijkheid, inzake het ontstaan en de evolutie van het leven en inzake de zin van het bestaan? Op het godsdienstige vlak was ik geïntrigeerd door de onontkoombaarheid van de predestinatieleer van Augustinus. De nogal vroege lectuur van Dostojevski confronteerde mij met de figuur van de grootinquisiteur in "De gebroeders Karamazov" die, op ethisch-politieke gronden, Jezus in de gevangenis gooit, en ook de tegenstelling tussen Aljosja en Ivan versterkte mijn gevoeligheid voor die moeilijke zoektocht naar de juiste levens- en wereldbeschouwing.

En dan was er het contact met Walschap; vooral met zijn "Zuster Virgilia", dat mijn tot dan toe onaangetaste geloof aan het wankelen bracht. Ik was toen een goeie 17 jaar oud en vanaf die tijd wist ik dat ik niet meer op het gezag van anderen kon steunen: ik zou mijn weg naar het ware en het goede zelf moeten zoeken. Toch was er één houvast waaraan ik onwrikbaar trouw bleef: van waarden zoals goedheid, vriendschap, liefde, rechtvaardigheid kon ik geen afstand doen, maar zonder God kon ik er geen fundament meer voor vinden. Onder de invloed van de lectuur van existentialistische teksten, zag ik de oplossing in een blinde sprong naar God; wat tevens, paradoxaal genoeg, terug een sprong naar het dogma was. Maar de kiem van de twijfel was niet meer uit te roeien en zo kwam ik er vijf jaar later toe elke bevoogding van het denken af te zweren en stap voor stap in de richting te gaan van wat we vrijzinnigheid noemen: het vrije denken.

Dat was echter geen orgelpunt; eerder het begin van een tocht die nog altijd niet beëindigd is en slechts bij mijn dood een afsluiting zal vinden.

Toch heb ik intussen al een lange weg afgelegd in de confrontatie met een brede waaier van wetenschappelijke, wijsgerige, ethische en maatschappelijke problemen. En daarvoor heeft men mij nu de Prijs Vrijzinnig Humanisme toegekend.

Wanneer ik vaststel wie mij in deze prijs is voorgegaan, dan kan ik alleen maar vereerd en dankbaar zijn. Sommigen onder hen heb ik goed gekend, anderen wat minder, maar allen hebben hem eer aangedaan.

Heel in het bijzonder ben ik er blij om dat twee mensen die in mijn ontwaken in de vrijzinnigheid een belangrijke rol hebben gespeeld, deze prijs gekregen hebben: Leo Apostel en Jaap Kruithof.

Ik hecht er dus aan de Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging en al degenen die gemeend hebben dat ik voor deze eer in aanmerking kwam, van harte te danken. Al heel lang heb ik de gedachte aan een eeuwige beloning afgewezen, en ik heb ook niet geleefd in de verwachting zo'n aardse prijs te krijgen. Immers: "Niet in het snijden van de padi is de vreugde", zegt Multatuli, "de vreugde is in het snijden van de padi die men geplant heeft." Het reizen zelf geeft meestal meer bevrediging dan de eindbestemming van een reis. Maar we zijn allemaal, zolang we niet in grootheidswaan leven, enigszins onzeker over de waarde van onze keuzes en daden. De waardering van anderen kan daarom, in momenten van twijfel of moedeloosheid, als steun en aanmoediging heel welkom zijn.

Sta mij toe op dat punt iets dieper in te gaan. Ik begon mijn uiteenzetting met Russells verwijzing naar "gij zult een menigte niet volgen in het kwaad." De reden waarom ook ik dat Bijbelwoord koester, heeft te maken met het feit dat ik heel vaak in mijn pogingen tot vrij denken tegen de ene of andere stroom ben moeten ingaan. Soms had ik aloude tegenstanders tegen mij, maar nu en dan ook medestanders.

Mijn hameren op de Kriminalgeschichte van het christendom werd vaak afgedaan als een uiting van rancune over mijn verleden en mijn huidige kritiek op de islam wordt als bekrompen onwetendheid en islamofobie geduid, en dit in uiteenlopende kringen. Zo heb nu eens vriend, dan weer vijand tegen mij in het harnas gejaagd in uiteenlopende polemieken:

  • door mijn argumentatie tegen het bestaan van de god van de Tenach, het Nieuwe Testament en de Koran;
  • bij mijn aanvallen op de pseudowetenschappen en vooral de alternatieve geneeswijzen, zoals homeopathie;
  • in de strijd tegen de Orde van de Geneesheren en voor de patiëntenrechten;
  • in het debat over kruisbeelden in de rechtbanken en nu over godsdienstige symbolen in scholen en bij ambtenaren;
  • bij mijn radicaal afwijzen van het sovjetcommunisme en de Chinese culturele revolutie;
  • bij mijn ijveren voor de contraceptie-, abortus- en euthanasiewetgeving;
  • bij mijn waarschuwingen voor de bevolkingsexplosie;
  • bij mijn inzet voor dierenwelzijn en nu tegen het slachten zonder verdoving;
  • bij mijn studie over de berging van kernafval;
  • bij mijn standpunten inzake experimenten op embryo's;
  • bij het verdedigen van de SP na de Agustacrisis;
  • bij het aantonen van de misvattingen inzake de multiculturele samenleving;
  • bij het bewijzen van de neonazioorsprong van het Vlaams Blok;
  • bij het verdedigen van de Eerste Golfoorlog;
  • bij het veroordelen van de Tweede Golfoorlog;
  • bij het ontwerpen van richtlijnen voor het repatriëren van asielzoekers;
  • bij de verdediging van de standpunten van het Vlaams parlement via de Gravensteengroep;
  • enz. enz.

Zoals de voorbeelden ten overvloede duidelijk maken, kwamen de aanvallen niet altijd uit dezelfde hoek. Toen ik bij een verkiezingsuitzending op tv het neonaziverleden van het Vlaams Blok ter sprake bracht, kreeg ik een massa scheldwoorden over mij, maar ook veel instemming bij allochtonen. Maar toen ik het probleem van de godsdienstige symbolen en de hoofddoek eveneens op tv naar voren bracht, waren de reacties natuurlijk omgekeerd.
Bij mijn aanvallen op het christendom schrok men niet terug voor het dreigement voor mij te zullen bidden. Toen ik het later over de islam had, waren de reacties ook niet mals: van gebeden bleef ik gespaard, maar er waren wel doodsbedreigingen. En zo kan ik nog een hele tijd verdergaan.

Ik heb me soms afgevraagd waarom ik dat eigenlijk doe: het is zoveel gemakkelijker je eens en voorgoed bij de ideeën van een bepaalde groep aan te sluiten en die in grote lijnen te volgen. Maar sinds ik het pad van de vrijzinnigheid, het vrije denken, gekozen heb, voel ik me ook verplicht ieder belangrijk probleem zelfstandig te onderzoeken en de conclusies van mijn autonoom denken oprecht mede te delen. Mijn meningen kunnen natuurlijk fout zijn, maar ze zijn wel het resultaat van een eerlijke poging tot inzicht. Zodra ik tot een doordacht besluit gekomen ben, zeg ik: "Hier stehe ich, ich kann nicht anders." Je verliest dan wel medestanders en soms zelfs vrienden aan uiteenlopende zijden.

Zo zijn sommigen momenteel niet alleen radicaal tegen de islam, maar ook radicaal voor de politiek van Israël. Anderen verzetten zich tegen Israël en vergoelijken of minimaliseren dan weer de impact van Hamas. Ik kan noch het een, noch het ander. Ik heb ingezien dat aan de Palestijnen veel onrecht is aangedaan en dat zij dus mijn steun verdienen, maar dat belet mij niet de islamistische en antisemitische ontsporingen aan de kaak te stellen.

Toen men mij na de Eerste Golfoorlog in 1991 aanbood het voorzitterschap waar te nemen van een colloquium tussen progressieve Palestijnen en Israëli's, heb ik dat aanvaard. Die opdracht bood mij de mogelijkheid om zowel mijn rationeel denken als mijn emotionele betrokkenheid in dienst te stellen van authentieke pogingen tot vrede. Maar weer stond ik voor die pijnlijke vaststelling dat mensen van wie ik het oprechte streven naar het ware en het goede niet kon loochenen, het zo moeilijk hadden om de gevoeligheden van de anderen te begrijpen.

Dergelijke ervaringen van vereenzaming en soms van twijfel heb ik meermalen gehad: de pijnlijkste was wel de confrontatie met het leed van mensen die na een afgewezen asielaanvraag het land moeten verlaten. In ieder afzonderlijk geval raakt je gemoed vol en zou je de uitwijzing stop willen zetten; maar je weet dat die houding, geëxtrapoleerd op populatieschaal, ons sociaal systeem totaal zou ontwrichten.

Op die momenten dacht ik er soms aan dat ik mijn wetenschappelijke loopbaan was begonnen in de klassieke filologie met een studie over de dood, de doden en de onderwereld in de Griekse tragedie. Een boeiend onderwerp. Ik dacht ook aan het begin van mijn filosofisch onderzoek over de betekenis van de informatietheorie, de cybernetica en de elektronische breinen voor de studie van de mens. Zou ik er niet beter aan gedaan hebben vooral in die richtingen te publiceren en een rustige academische loopbaan uit te bouwen? Maar dan denk ik weer aan de stimulans die Leo Apostel, Jaap Kruithof en Hugo Van den Enden mij gegeven hebben om ook de andere, meer maatschappelijke, roeping van de filosoof te volgen.

Ik denk ook dat de slotzin van Van Eedens "Kleine Johannes", die mij in mijn jeugd zo ontroerd heeft, mij nu en dan wakker geschud zou hebben: "Toen wendde Johannes langzaam het oog van Windekinds wenkende gestalte af en strekte de handen naar den ernstigen mensch. En met zijnen begeleider ging hij den killen nachtwind tegemoet, den zwaren weg naar de groote, duistere stad, waar de menschheid was en haar weedom."

Etienne Vermeersch
Gent, 21 juni 2011

Laudatio uitgesproken door Johan Braeckman bij de uitreiking van de Prijs Vrijzinnig Humanisme 2011 aan prof. em. dr. Etienne Vermeersch

Johan Braeckman
Laudatio uitgesproken bij de uitreiking van de Prijs Vrijzinnig Humanisme 2011 aan emeritus prof. dr. Etienne Vermeersch

Etienne heeft nooit begrepen waarom niet veel meer filosofen, academici en intellectuelen zich confronteren met pseudowetenschappen en irrationeel denken. Het is immers daar dat je kan ontdekken hoe sterk je in je schoenen staat, net zoals een ethicus zich moet bemoeien met de moreel beladen kwesties van zijn tijd, alleen al om te onderzoeken of zijn eigen opvattingen de toetsing aan de realiteit kunnen weerstaan.  Johan Braeckman 

Clement Attlee, de politieke rivaal van Winston Churchill, stond bekend als zeer bescheiden. Churchill merkte op dat Attlee dan ook veel had om bescheiden over te zijn. Nu is bescheidenheid niet de eerste karaktertrek die men in verband brengt met Etienne Vermeersch, maar er is dan ook veel waarover hij onbescheiden mag zijn.

Johan Braeckman
Gent, 21 juni 2011

Wie bezit zoveel kennis over zoveel disciplines en onderwerpen als hij? De kloof tussen de zogenaamde twee culturen, de humanities enerzijds en de natural sciences anderzijds, bestaat wel degelijk, maar niet in het hoofd van Etienne. Of het nu over Shakespeare of de tweede wet van de thermodynamica gaat, over Lysistrata of de niet-euclidische meetkunde, over de Vespers van Monteverdi of de moleculaire biologie, Etienne kan erover meepraten. De kans is bijzonder groot dat hij er meer van afweet dan u en ik. Er is zelfs een zeker risico dat hij je duidelijk maakt wat je precies verkeerd begrepen hebt, en hoe dat zo gekomen is. Ik vermoed dat er behoorlijk wat mensen rondlopen die zich een dergelijke conversatie met Etienne nog levendig herinneren. Misschien hebben ze reeds een groep opgericht op facebook, ik zou het moeten nakijken. Hoe dan ook is het zo goed als zeker dat eenieder die door Etienne op een denkfout of een lacune in zijn kennis is gewezen, meteen ook het genoegen smaakte de correcte informatie van hemzelf te horen. Het is een van zijn essentiële eigenschappen: de drang en de wil om uitleg te verstrekken, om onbegrip te bestrijden, om misverstanden te voorkomen. Hij kan het als geen ander, het is een van zijn grootste talenten. Tienduizenden mensen die ooit zijn lessen volgden kunnen het bevestigen. Als Etienne iets uitlegt, hoe moeilijk of technisch het ook is, wordt het begrijpelijk, inzichtelijk, en bijna steeds ook spannend en intrigerend. Dat komt natuurlijk omdat hij datgene waarover hij praat eerst zelf zeer grondig bestudeert. Ce que l’on conçoit bien s’énonce clairement.  Ik ben bijna zo goed als zeker dat Etienne ondertussen in zijn hoofd reeds aanvulde: Et les mots pour le dire arrivent aisément. Dat geldt evenzeer voor onderwerpen die hem helemaal niet liggen. Zo bijvoorbeeld loopt hij niet hoog op met de ideeën van de Duitse filosoof Martin Heidegger, maar er zijn er weinig die Heidegger zo helder kunnen uitleggen als Etienne. Had Heidegger zijn ideeën toegelicht gekregen door Etienne, dan had hij ze misschien zelf begrepen.

Er zijn er weinig die Heidegger zo helder kunnen uitleggen als Etienne. Had Heidegger zijn ideeën toegelicht gekregen door Etienne, dan had hij ze misschien zelf begrepen.

Wellicht tot zijn verbazing, wordt dat niet steeds door iedereen even sterk geapprecieerd. Wie hem kent, weet dat hij het erg vindt om iets belangrijks niet te kennen, of, erger nog, het verkeerd te begrijpen. Zelf houdt hij ervan om iets uitgelegd te krijgen door iemand met een grondige kennis van zaken, en eenieder die hem overtuigend op een fout wijst – wat zich eerder zelden voordoet – kan rekenen op zijn grote erkentelijkheid. Als hij dan zelf iets corrigeert bij een ander, gaat hij er automatisch van uit dat die ander dat eveneens zal waarderen, want wie wil er rondlopen met foute denkbeelden? Helaas, misschien meer mensen dan Etienne voor lief neemt. In wezen is hij een optimist, overtuigd van de kracht en mogelijkheden van het redelijke denken en de dialoog.

Wie, zoals Etienne, gezegend is met meerdere talenten en een intellect bezit dat scherper is dan dat van de meeste mensen, is paradoxaal genoeg misschien minder makkelijk in staat om te begrijpen waarom zoveel mensen er zoveel ondermaatse ideeën op nahouden of gebrek aan inzicht hebben in hoe de werkelijkheid in elkaar steekt. De meesten zien aparte noten op de partituur, maar Etienne denkt in akkoorden. Hem een hedendaagse Homo universalis noemen gaat te ver, want bij mijn weten bestaan er geen schilderijen, composities of dichtwerken van zijn hand, maar ik kan niettemin met de hand op het hart getuigen dat hij een onberispelijk rechte muur kan metselen. Bovendien kan naar verluidt zijn konijn op Vlaamse wijze zich meten met het werk van de betere televisiekoks.

Maar zijn ware verdiensten liggen elders. Iedereen die hier aanwezig is kent ongetwijfeld in grote lijnen Etiennes biografie. Ik ga er hier maar enkele aspecten van aanhalen, ze is recent nog uiteengezet in het boek dat hij samen met Dirk Verhofstadt publiceerde, en eerder reeds door Ludo Abicht in een tekst over zijn leven en werk. We zijn met zijn allen wellicht geneigd om Etienne op de eerste plaats als hoogleraar te zien, als geëngageerd filosoof, als opiniemaker en als mediafiguur, maar we mogen niet vergeten dat hij zich ook meerdere decennia inzette voor de Universiteit Gent door bestuurlijke en administratieve taken op zich te nemen, als decaan, als vakgroepvoorzitter, als voorzitter van de onderzoeksraad en de bouwcommisie, als lid van de raden van bestuur van het Universitair Ziekenhuis en het Vlaams Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie, en, niet in het minst, als vice-rector. Ik herinner me vooral die laatste functie, aan de Universiteit wellicht zijn belangrijkste, omdat een deel ervan overlapte met het werk aan mijn doctoraat. Etienne had het toen ongemeen druk, dus het was niet eenvoudig om mijn onderzoek regelmatig met hem te bespreken, er was immers zelden of nooit een gaatje vrij in zijn agenda. We vonden evenwel een oplossing. Ik reed mee met François, de chauffeur van de dienstwagen die Etienne van de ene vergadering naar de andere bracht, van kabinetten naar universiteiten, van wetenschapsraden naar commissies. Tijdens de ritten heen en terug bespraken Etienne en ik op de achterbank mijn werk. Zo ging geen moment verloren, voortdurend waren er besprekingen, rapporten die zijn aandacht vroegen, vergaderingen die hij moest voorzitten en duizend-en-één andere zaken die het universitaire bestuur nu eenmaal met zich meebrengt. Niet slecht voor iemand die zichzelf als eerder lui typeert. Enigszins tot mijn verbazing kon hij me tussendoor ook nog uitleggen wat er in het jongste boek van Daniel Dennett of van Richard Dawkins stond, uiteraard niet zonder er zijn kritische commentaren bij te geven.

Etiennes maatschappelijk engagement en gedrevenheid bracht hem er toe om ook buiten de universiteit belangrijke verantwoordelijkheden op te nemen. Zo was hij in 1999 en 2000 voorzitter van het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek, en zat hij, op verzoek van de Federale overheid, de “commissie Vermeersch” voor, die na de tragische dood van Semira Adamu in 1998 het uitwijzingsbeleid evalueerde en aanbevelingen formuleerde. Het was wellicht de meest frustrerende taak die hij ooit op zich nam. Een taak die moest uitgevoerd worden, maar ongetwijfeld vreselijk ondankbaar was. Men kan immers, in acht genomen de politieke complexiteit, de morele en emotionele beladenheid en de diepe humanitaire dimensie van de asielproblematiek, onmogelijk hierover een reeks opvattingen naar voren brengen die aantoonbaar sluitend zijn. Voor iemand als Etienne, die als kind reeds in de ban kwam van Euclides, die eenieder die er zich toe inspant beloont met een zachte maar dwingende zekerheid die alle culturele wrijvingen en onenigheden overstijgt, moet dit erg lastig zijn geweest.

Vergis u echter niet. Etienne wordt gedreven door “een zoektocht naar waarheid”, zoals de ondertitel luidt van zijn jongste boek. Maar ondanks zijn bewondering voor het Griekse ideaal van “kennis voor de kennis”, staat zijn zoektocht ultiem toch in het teken van de basisvraag van de ethiek: hoe kunnen wij ons leven zinvol invullen, hoe kunnen we ons leven betekenisvol beleven, zodat we op het einde met Wittgenstein kunnen zeggen: “Tell them I’ve had a wonderful life”. Zo’n leven, voor Etienne, kan alleen maar echt “wonderful” zijn als het geleefd wordt in volle authenticiteit, als men iedereen recht in de ogen kan kijken, als men consequent is in zijn denken en handelen, als waarden en deugden als rechtvaardigheid, vriendschap en eerlijkheid, maar ook trots, moed, eer en loyaliteit, hoog in het vaandel staan.

Etiennes authenticiteit is een van zijn eigenschappen die wat mij betreft het meest kenmerkend zijn. Het laat zich niet makkelijk verwoorden wat ik daarmee precies bedoel, maar met wat beeldspraak kom ik er wel. Etienne is iemand die helemaal samenvalt met zichzelf. Zoals acteurs compleet miscast kunnen zijn, bijvoorbeeld John Wayne in de rol van Genghis Khan, zo kunnen ook mensen hun leven leiden alsof ze niet thuishoren in het tijdsgewricht waarin ze leven, of zich in een verkeerde plaats bevinden, een foute relatie hebben of een job die niet bij hen past. Dit alles is Etienne volkomen vreemd.

Het is alsof de praktijk van zijn leven de antwoorden biedt op vragen waar de zeventiende-eeuwse humanist Montaigne mee worstelde; alsof zijn levensverhaal is opgetekend in een van de weinige boeken uit Borges’ Bibliotheek van Babel die informatieve vormen bevatten en daarom betekenisvol zijn.

Dat wil niet zeggen dat Etienne steeds volkomen consequent is in alles wat hij denkt en doet. Tenslotte is hij ook maar een mens. De manier waarop hij inconsequent kan zijn, zou evenwel herkenbaar zijn voor Walt Whitman; zie deze regels uit Song of Myself, opgenomen in de bundel Leaves of Grass:

“Do I contradict myself?
Very well then I contradict myself.
(I am large, I contain multitudes.)”

Maar onmiskenbaar gaat het in zijn leven over authenticiteit, waarheid en ethiek. Daarom denk ik dat Etienne de grootste vorm van tevredenheid ervaart als hij terugblikt op de vele inspanningen die hij leverde om de abortus- en euthanasiewetten tot stand te helpen brengen. Die wetten plaatsen België aan de top van de landen die een beleid voeren dat ook echt rekening houdt met menselijke waardigheid, met zelfbeschikking en met mededogen. De teksten die hij hierover schreef, de vele lezingen die hij gaf en de talloze debatten waaraan hij deelnam; ze getuigen alle van de basisaspecten van zowel zijn intellectueel werk als zijn maatschappelijk engagement: rationele gestrengheid en respect voor de waarheid enerzijds, en liefde en empathie voor lijdende mensen anderzijds. Sta me een klein gedachte-experimentje toe. Wat zou Etienne het liefst hebben bereikt: een belangrijke bijdrage leveren tot pakweg de theoretische fysica, of een tekst schrijven die een ethische opvatting helpt legaliseren? Toegegeven, het is misschien geen gemakkelijke keuze, maar we weten waarvoor hij heeft gekozen, en ik denk dat we ook weten waarom. Etienne, geïnspireerd als hij is door Spinoza, zou misschien zelf zeggen dat het helemaal niet om een keuze ging. Zijn verstand bracht hem met onweerlegbare logica tot bepaalde inzichten, waarna het handelen noodgedwongen volgde. Hij kon niet anders. Daarom is hij ook zo’n vrij man: hij heeft nagenoeg zijn hele leven lang zoveel mogelijk zichzelf gedetermineerd.

Ook zijn engagement voor de organisatie SKEPP, waarvan hij overigens een stichtend lid is, vertoont die dubbele tendens. Het lijken natuurlijk bij uitstek intellectualistische bezigheden, uitleggen waarom de moderne scheikunde aantoont dat homeopathie niet werkt of waarom een perpetuum mobile te pletter slaat op de basiswetten van de fysica. Maar de morele dimensie is even sterk aanwezig. Het is schrijnend en onrechtvaardig dat er misbruik wordt gemaakt van de lichtgelovigheid en van andere zwakheden van mensen. Het toont andermaal aan hoe Etienne in elkaar zit. De waarde van complexe filosofische analyses moet blijken uit wat je ermee kan aanvangen. Als bijvoorbeeld de moderne wetenschapsfilosofie niet in staat is om duidelijk te maken dat pakweg het creationisme minder waarschijnlijk is dan de evolutiebiologie, dan is er iets ernstig fout met de wetenschapsfilosofie. Etienne heeft nooit begrepen waarom niet veel meer filosofen, academici en intellectuelen zich confronteren met pseudowetenschappen en irrationeel denken. Het is immers daar dat je kan ontdekken hoe sterk je in je schoenen staat, net zoals een ethicus zich moet bemoeien met de moreel beladen kwesties van zijn tijd, alleen al om te onderzoeken of zijn eigen opvattingen de toetsing aan de realiteit kunnen weerstaan.

Etiennes inzet om zoveel mogelijk mensen ervan te overtuigen dat we de demografische tijdbom moeten ontmantelen, is nog zo’n voorbeeld. Hij kan moeilijk begrijpen dat verstandige mensen maar niet inzien dat het evident is dat een toename van de bevolking zoals ze zich nu voordoet, in acht genomen de eindigheid van de aarde en haar grondstoffen, vroeg of laat wel moet uitmonden in een catastrofe. De analyse is onweerlegbaar in haar eenvoud, en hij blijft ze keer op keer herhalen vanuit een diepe bezorgdheid over de toekomst van de mensheid en van de wonderlijke planeet waarop we met zijn allen leven.

En toch krijgt hij vaak haatmail in zijn mailbox, publiceren kranten scheldproza aan zijn adres, soms van hun eigen journalisten, en ontvangt hij slagen onder de gordel, van rechts maar evenzeer van links. Voor een deel ligt het misschien aan zijn stijl. Mensen voelen zich soms overdonderd, ze krijgen er geen woord tussen omdat Etienne nu eenmaal zijn visie wil uiteenzetten, liefst uitvoerig en gedetailleerd. Maar een veel belangrijker verklaring voor de irritatie en de negatieve reacties die hij opwekt is de onmacht die sommigen ervaren om hem te weerleggen. Natuurlijk is het voor velen niet zo prettig wanneer Etienne een heilig huisje sloopt, wanneer hij uitlegt waarom een geliefkoosd bijgeloof of een pseudowetenschappelijke opvatting niet houdbaar is. En natuurlijk weet hij dat mensen vaak om psychologische en emotionele redenen vasthouden aan denkbeelden die eigenlijk onhoudbaar zijn. Maar zou het niet buitengewoon paternalistisch en neerbuigend zijn om die mensen daarom je analyse, je kritiek, je betwisting of weerlegging, te besparen?

De manier waarop Etienne te werk gaat kan soms hard en pijnlijk zijn, maar ze komt voort uit een diep respect voor elke medemens. Anders dan bij sommige van zijn tegenstanders en critici, liggen bij hem steeds alle kaarten op tafel, zal hij nooit op de man spelen maar steeds op de bal en moet het debat over de kwaliteit van de argumentatie gaan. Dat hij daarbij soms botst, ook met mensen waarmee hij bevriend is of waarmee hij zich filosofisch en levensbeschouwelijk verwant voelt, dat neemt hij er dan maar bij. Etienne zoekt de controverse niet op voor de controverse op zich, hij heeft zelfs een hekel aan ruzie. Maar als vrije denker, voor wie de intrinsieke kwaliteit van argumenten primeert, kan hij niet anders dan zijn mening uiteenzetten over kwesties die hij belangrijk vindt. Het politiek correcte denken is aan hem niet besteed, evenmin als het a priorische redeneren vanuit dogma’s, of economische, psychologische of andere menswetenschappelijke sjablonen. Hoewel hij vaak duidelijke politieke standpunten inneemt, is hij ideologisch onbevooroordeeld. Het verrast soms vriend en vijand, zie bijvoorbeeld zijn standpunten over de golfoorlog, de multiculturele samenleving of de toekomst van Vlaanderen en België. Etienne weet dat men hem voor zijn opvattingen over dergelijke kwesties zal bekritiseren, maar het zal hem er niet van weerhouden ze uiteen te zetten. Ik zou kunnen zeggen: hij kan niet anders, het is sterker dan hemzelf. Maar dat zou foute beeldspraak zijn; het is immers niet sterker dan hemzelf, het is gewoon eigen aan de mens Etienne Vermeersch en geheel in lijn met de morele moed die hem karakteriseert.

Bij twee vaak gehoorde verwijten aan Etiennes adres wil ik even stilstaan. Sommigen noemen hem een ‘verlichtingsfundamentalist’. Het zou een geuzennaam kunnen zijn, maar het lijkt me beter om het begrip als onzinnig te beschouwen, want dat is het ook. Er bestaat niet zoiets als verlichtingsfundamentalisme, omdat het onmogelijk is een teveel aan respect voor de democratie te hebben, net zomin als je een té sterk pleidooi voor de mensenrechten kunt houden. Enkel zij die bang zijn voor het licht van de rede bedenken absurde woorden als ‘verlichtingsfundamentalisme’. Wat helaas wel bestaat is ‘verduisteringsfundamentalisme’, de miskenning van fundamentele rechten, het beknotten van emancipatie, het verwerpen van kennis, van wetenschap en het redelijk denken.

Een andere aantijging die Etienne vaak te horen krijgt is dat hij een ‘rationalist’ is, zelfs een ‘positivist’ of een ‘sciëntist’. Als die termen betekenen dat hij een groot vertrouwen heeft in de rede en in de wetenschappelijke methode, dan kan men zich afvragen wat het probleem is. Het lijken dan eerder complimenten te zijn, kwaliteitslabels van zijn denkvermogen. Maar vanzelfsprekend bedoelt men dat hij een te groot vertrouwen in de wetenschap zou stellen, of blind zou zijn voor emoties, voor alles wat zich niet redelijk laat beschrijven en toch diep menselijk is. Ik vind het een vreemd verwijt aan het adres van iemand die in meerdere publicaties en tal van lezingen en lessen waarschuwt voor het wetenschappelijk en technologisch optimisme dat kenmerkend is voor het Westen sedert de negentiende eeuw. Maar bovenal ziet men blijkbaar niet in dat er weinig mensen zijn die zo’n passionele liefde hebben voor het ware, het goede en het schone als Etienne.

Ik wil ook nog iets zeggen over zijn relatie tot God. Etienne ontvangt vandaag de prijs Vrijzinnig Humanisme, en hij heeft er nooit enige twijfel laten over bestaan waar ‘vrijzinnig’ in zijn visie voor staat: het betekent ongelovig zijn; ontkennen dat God bestaat.

Etienne is een atheïst, en anders dan in de postmoderne en cultuurrelativistische invullingen van ‘vrijzinnig humanisme’ is hij bereid om zijn atheïsme te verdedigen en te expliciteren, en om het geloof in een bovennatuurlijk wezen, of het nu God, Jahweh, Allah of Pierewiet wordt genoemd, te betwisten.

Iedereen weet dat Etienne heeft bewezen dat God niet kan bestaan, tenminste toch niet de God zoals hij gedefinieerd wordt in de monotheïstische tradities afkomstig uit het Midden-Oosten. De joodse, christelijke en islamitische god is almachtig, alwetend en algoed. Dat leidt tot onoplosbare problemen, waaruit volgt dat zo’n god niet kan bestaan, net zomin als een kapper die iedereen scheert die zichzelf niet scheert. En zoals een onstuitbare kracht en een onbeweeglijk voorwerp niet samen kunnen voorkomen, zo ook kan er geen volmaakte god zijn die zinloos lijden toestaat, of het zelfs veroorzaakt.

Maar laat ons even, als gedachte-experiment, veronderstellen dat God wel bestaat. Misschien zijn er logische en natuurkundige wetmatigheden waar wij gewone stervelingen geen weet van hebben, en die Gods bestaan mogelijk maken. Laat ons bovendien ook veronderstellen dat er een hiernamaals is, dat de ziel bestaat, en dat ieder mens na zijn dood een gesprek heeft met God. Tijdens dat gesprek wikt en weegt God je leven, en op het einde beslist hij waar je ziel in terechtkomt, hemel of hel, en dit tot het einde der tijden. Ik heb me proberen voor te stellen hoe zo’n gesprek zou verlopen tussen God en Etienne. Alvorens ik u daar een beeld van schets, vertel ik u eerst nog een kleine anekdote. Toen Etienne klassieke filologie studeerde aan de Rijksuniversiteit Gent volgde hij in een bepaald jaar als enige student een vak bij een prof waarvan ik me de naam niet meer herinner. Uiteraard ging hij iedere week naar de les, aangezien zijn afwezigheid zou opvallen. Vakken werden toen nog een heel academiejaar gegeven, dus Etienne en die prof zaten iedere week, van begin oktober tot in april, tegenover elkaar. In juni legde Etienne een uitstekend mondeling examen af over dat vak.

De prof zei: “Het lijkt wel alsof je op alles een antwoord weet, om het even wat ik je vraag. Hoe komt dat?”
Waarop Etienne antwoordde: “Misschien omdat ik de enige student was voor uw vak professor, en daarom iedere week aanwezig was en altijd goed oplette?”
Waarop de prof reageerde: “Tiens, was jij dat?”.

De ontmoeting tussen Etienne en God zal gegarandeerd anders verlopen. God zal hem reeds van ver zien aankomen, en hem armzwaaiend toeroepen dat hij zich moet haasten. “Zet u Etienne, zet u”, zal God zeggen. “Ik heb er lang naar uitgekeken om een gesprek met je te voeren. Ik heb al een paar keer geprobeerd om je naar hier te krijgen, maar de geneeskunde van tegenwoordig, met haar pillen en bypass-technologie en wat weet ik al, was me te slim af. Maar het doet er niet toe, je bent er. Wees welkom, en laat ons je levensloop samen bespreken.”

Ik denk dat dit gesprek goed zou verlopen. Etienne zou citeren uit teksten die hem nauw aan het hart liggen, en die geschreven zijn voor de voorlopers van de God met wie hij een onderhoud heeft. Hij zou vrijwel zeker het Egyptische dodenboek aanhalen: “Ik heb niemand doen wenen, ik heb de naakten gekleed, de dorstigen gelaafd, de hongerigen gespijsd. Ik heb het vee niet mishandeld”.

Het zou me niet verwonderen mocht God na verloop van tijd tot de conclusie komen dat deze man een plaats in de hemel verdient. Wellicht zou hij opmerken dat het prettig zou zijn had Etienne in het bestaan van zijn schepper geloofd, maar hij zou ook beseffen, hij is tenslotte God, dat het belangrijker is om mensen op hun ethiek en hun daden te beoordelen dan op de inhoud van hun geloof. Kortom, hij zou op de klok kijken, heel even zuchten omdat hij nog een drukke dag voor de boeg heeft, een gevolg van een aardbeving in Latijns-Amerika, goed voor enkele honderden extra gesprekken, naast het dagelijks gemiddelde van zeventigduizend, en aan Etienne zeggen: “’t Is goed Etienne, je kan gaan. Je plaats in de hemel is gereserveerd.”

Waarop Etienne antwoordt: “Momentje. Ik had u graag ook enkele vragen gesteld.”

God is verrast, trekt zijn rechterwenkbrauw op, en in minder dan een seconde haalt nieuwsgierigheid het van irritatie. “Goed”, zegt hij, “doe maar”. Wat volgt is een spervuur van vragen en een verhitte discussie over ondermeer het ontstaan van het universum, het waarom van de natuurwetten en de natuurconstanten, de aard van ruimte en tijd, de zin van het leven en de zinloosheid van het lijden, de slavernij en de godsdiensten, de onverenigbaarheid van Gods definitie en de Holocaust, het al dan niet platonische bestaan van de getallen pi en e, de kwalitatieve verschillen tussen de uitvoeringen van de Mattheüspassie door het Collegium Vocale en La Petite Bande, de stelling van Gödel, de precieze betekenis van Socrates’ uitspraak “We zijn Asklepius een haan verschuldigd”, het onzekerheidsprincipe van Heisenberg en de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde. Tussen Etiennes vragen en Gods antwoorden kun je Etienne zo nu en dan horen zeggen “Je had dat beter anders gedaan, ik zal u dat moeten uitleggen”, en “Hoe is het in godsnaam mogelijk dat gij dat niet weet?”, en aan het eind zal hij vragen: “Wat is je reactie op de uitspraak van Stendhal dat het feit dat je niet bestaat, je enige excuus is?”.

God wist het zweet van zijn voorhoofd, vraagt of hij een tijdje mag nadenken en wat notities mag maken, en geeft uiteindelijk antwoord.

Er valt een stilte. God, aarzelend, schuchter, nattigheid voelend, vraagt: “Is het niet juist, professor?”
Waarop Etienne zegt: “Ik zie u in september terug.”

Waarde Etienne, ik hoop met iedereen die hier aanwezig is, en met zeer velen die hier niet konden aanwezig zijn, dat je gesprek met de Grote Gebuisde nog lang op zich mag laten wachten. De prijs die je vandaag ontvangt, is een prijs waarmee de Vlaamse vrijzinnig-humanistische beweging haar grote dankbaarheid en erkentelijkheid uitdrukt voor alles wat je, nu reeds vijf decennia lang, voor haar, en vooral voor haar idealen, betekent. Tevens wordt de vorm van humanisme gelauwerd die staat voor een duidelijk atheïsme en vrijdenken. Een humanisme dat zich blijvend geïnspireerd weet door het beste wat de Verlichtingsfilosofen ons leerden en, gedreven door radicaal democratische idealen, op compromisloze wijze de universaliteit van de mensenrechten bepleit. Omdat jij dit alles als geen ander belichaamt, waarde Etienne, reikt de vrijzinnig-humanistische gemeenschap jou vandaag haar belangrijkste prijs uit. Twee van de vorige laureaten van deze prijs, met name Leo Apostel en Jaap Kruithof, waren ook twee leermeesters van je. Ze hebben zich uitstekend van hun taak gekweten, aangezien je opinies op meerdere punten afwijken van die van hen, wat naar het schijnt een kenmerk is van een goede leermeester. Maar over meerdere kernwaarden die ik met deze prijs in verband breng, zouden jullie drieën geen onenigheid hebben.

Tenslotte wil ik nog een persoonlijke bedenking maken. De prijs Vrijzinnig Humanisme lijkt een hele loopbaan van iemand te bekronen. Maar de voorbije vijf jaar tonen aan dat je pas nu goed op dreef lijkt te komen. Er is het zeer erudiete boek De Rivier van Herakleitos, er is je tekst over atheïsme, de heruitgave van De Ogen van de Panda, het gesprekkenboek met Dirk Verhofstadt. Stuk voor stuk belangrijke en recente publicaties. Je beste werk ligt niet in het verleden; het situeert zich in het heden, en het allerbeste moet ongetwijfeld nog komen. Daarom wil ik dat je deze prijs niet zozeer als een bekroning, maar veeleer als een aanmoediging beschouwt.

Ik dank je, in naam van ons allen, uit de grond van mijn hart voor alles wat je voor het vrijzinnig humanisme betekent en nog zal betekenen, en wens je in naam van alle aanwezigen en sympathisanten nog vele gelukkige en vruchtbare jaren, samen met Josiane.

 

Prof. Etienne Vermeersch reageert op vraagsteller (video)

Prof. Etienne Vermeersch reageert op vraagsteller 

Dinsdag 22 maart 2011.

Opgenomen in Auditorium E (Universiteit Gent), waar Etienne Vermeersch tientallen jaren 'Historisch overzicht van de wijsbegeerte' gaf.

Producent opname: Tom Schoepen, © 2011.

Regie: Benny Vandendriessche.

Etienne Vermeersch: reactie op Hans Geybels (lezersbrief)

Artikel
Etienne Vermeersch

Natuurlijk vermelden de evangeliën de liefde tot God en de mensen, maar dat is niet typisch christelijk: dat stond al in het Oude Testament. Bovendien vindt men aansporingen tot naastenliefde - zelfs 'bemin uw vijanden' - in Egyptische en Babylonische teksten, vele eeuwen vóór het ontstaan van de Bijbel. Etienne Vermeersch

 

Hans Geybels heeft iets tegen mijn 'oneliners' ('Jezus kroop niet bij de mensen in bed', Knack nr. 12). Voor zichzelf ziet hij daar
geen graten in: zo zou de kern van het evangelie luiden: 'bemin God en bemin uw naaste'; wel staat hij open voor de mening van anderen die alleen naar de naastenliefde verwijzen, of naar de eucharistie. Al die oneliners zijn echter fundamenteel fout.

Wie wil weten wat de kern van het 'euangelion', de boodschap van de apostelen, was doet er nog altijd goed aan het Nieuwe Testament te lezen. Het komt hierop neer: men moet geloven dat Jezus de zoon van God is, de Messias, die mens geworden is om door zijn lijden, dood en verrijzenis de mensen van de zonde te verlossen, en om aan allen die in hem geloven de verrijzenis en het eeuwig leven te garanderen. De doopsbelijdenissen en de 'credo's' of 'symbola' waren bedoeld om duidelijk te maken wat de kern van het nieuwe 'geloof' was. In geen enkele van deze credo's, ook het thans gangbare, kwam ooit het woord 'naastenliefde' voor. Natuurlijk vermelden de evangeliën de liefde tot God en de mensen, maar dat is niet typisch christelijk: dat stond al in het Oude Testament. Bovendien vindt men aansporingen tot naastenliefde - zelfs 'bemin uw vijanden' - in Egyptische en Babylonische teksten, vele eeuwen vóór het ontstaan van de Bijbel.

In de visie van Geybels zou het christendom dus helemaal niets nieuws gebracht hebben. Hij vindt ook nergens in het evangelie dat God de mensen straft; ik wel: 'ga weg van mij vervloekten in het eeuwige vuur...' (Mt. 25, 41 en 46). 'Strikt genomen mag de heteroseksuele daad alleen bedreven worden in de context van vruchtbaarheid.' Na de menopauze mogen vrouwen dus niet meer huwen? Zelfs Ratzinger zou zoiets niet durven te zeggen.

Of mijn visie op de hoofddoek uit buikgevoel voortkomt, kan iedereen nagaan die de 'oneliner' van 10.420 woorden op mijn webstek raadpleegt. Wat wel op buikgevoel berust, is het geloof in een leven na de dood. Bijna 2 miljard mensen geloven in hemel en hel, en ongeveer evenveel in wedergeboorte. Het buikgevoel lijkt weinig eenstemmig. Er is overigens geen enkele aanwijzing voor een voortbestaan van de mens, en er zijn talloze argumenten tegen.

Etienne Vermeersch 

Universiteit Gent verliest met Jaap Kruithof een van zijn iconen

Etienne Vermeersch
Wikimedia Commons - Jaap Kruithof

 'Hij heeft vele duizenden studenten leren nadenken’.

Jaap Kruithof is niet meer. De bekende Gentse filosoof overleed gisteren op 79-jarige leeftijd. Generaties studenten aan de Universiteit Gent hingen aan zijn lippen tijdens de lessen Ethica en Waardenfilosofie. 'Zijn invloed is dan ook nauwelijks te onderschatten', zegt professor-emeritus Etienne Vermeersch.

Vermeersch over het boek 'De welwillenden' van Jonathan Littell

Etienne Vermeersch
Roman 'De Welwillenden'

Etienne Vermeersch vertelt waarom u het boek "De welwillenden" moet lezen. 'Het greep me naar de keel'.

Toen ik enkele jaren geleden, om even te bekomen na mijn eerste infarct, besloot eindelijk Célines Voyage au bout de la nuit te lezen, meende ik op het vlak van cynische literatuur het nec plus ultra gevonden te hebben. Maar Jonathan Littell heeft in Les bienveillantes nog enkele registers meer dan Céline. Desondanks, of misschien juist daarom, greep het boek me naar de keel. Bijna dwangmatig las ik door tot de 'welwillende' wraakgodinnen in de laatste zin opdoemen.

 

Etienne Vermeersch over openbaring en slavernij (bijbel en koran) - Desmet Live (Nederland)

Desmet Live heeft Prof. Dr. Etienne Vermeersch te gast. Vermeersch (1934) wordt ’de invloedrijkste intellectueel van Vlaanderen’ genoemd. Is emeritus hoogleraar filosofie en adviseur van de liberale ex-premier van België Guy Verhofstadt. Raadde destijds Hugo Claus aan om niet te lang te wachten met euthanasie. Voorbeeld voor Nederlandse humanisten en vrijdenkers. Theodor Holman praat met hem over God en gebod, over Vlaanderen en Nederland, over het rechts-extremisme van Filip de Winter en waarom je zijn ideeën niet mag vergelijken met die van Geert Wilders (18.05 uur, Radio 5).

 

In memoriam: professor Hugo Van den Enden: door Etienne Vermeersch

Etienne Vermeersch
Ethicus Hugo Van den Enden

In memoriam (uitvaart) Hugo Van den Enden door Etienne Vermeersch

Bij de uitvaart van Simone de betreurde vrouw van Hugo, had hij mij gevraagd een tekst voor te lezen die hijzelf geschreven had; ik heb daar een paar details aan toegevoegd zonder hem ontrouw te zijn, en hij apprecieerde dat.

Voor hetgeen ik vandaag om hem te gedenken moet zeggen, sta ik er alleen voor, maar ik denk dat het mijn opgave is hier getuigenis af te leggen van wie hij geweest is en om hem trouw te blijven zal ik hem ook zoveel mogelijk zelf aan het woord laten.

In memoriam Hugo Van den Enden

Etienne Vermeersch

Morgen vindt de uitvaart plaats van Hugo Van den Enden, emeritus hoogleraar van de Universiteit Gent. Ik heb Hugo leren kennen in het akademiejaar 59-60; we volgden toen de eerste kandidatuur Wijsbegeerte, maar ikzelf voltooide daarnaast ook mijn licentie Klassieke Filologie en hij zat in de eerste licentie Germaanse. Het eerste jaar dat ik samen met deze briljante student heb meegemaakt, was een van de belangrijkste van mijn leven en we hebben er beiden een levensbeschouwelijke ommekeer meegemaakt. We hadden toen bij Leo Apostel en Jaap Kruithof seminaries over kennisleer, antropologie en ethiek. Tegen het einde van dat jaar hadden wij onze eigen wijsgerige persoonlijkheid ontwikkeld.

— Etienne Vermeersch

Na vier jaar euthanasiewet (evaluatie)

Wim Distelmans, Etienne Vermeersch, e.a.

'De euthanasiewet heeft niet tot de ontsporingen geleid die sommigen voor onvermijdelijk hielden.' 

De Standaard — DE wet die euthanasie onder strikte voorwaarden mogelijk maakte werd op 22 september 2002 van kracht. Het initiatief was vrij gedurfd. In tegenstelling tot Nederland was er bij ons immers geen lange periode van juridische tolerantie aan voorafgegaan of geen jurisprudentie die geleidelijk aan was gegroeid. Tot op de vooravond van het in voege treden van de wet, werd euthanasie in ons land nog beschouwd als moord met voorbedachten rade en liepen er nog gerechtelijke onderzoeken in dat verband. Het voorstel had de steun gekregen van een groot deel van de bevolking, zoals bleek uit verschillende opiniepeilingen, en talrijke persoonlijkheden uit alle milieus, duizenden artsen inbegrepen, wilden dat de legalisatie er kwam. Niettemin hadden de hiërarchische oversten van de katholieke kerk, bepaalde verenigingen van geneesheren en verscheidene prominenten uit het milieu van justitie er zich openlijk vijandig tegen uitgesproken. 

Nu de wet vier jaar bestaat en twee rapporten gepubliceerd werden door de Federale Controlecommissie, over meer dan duizend legale toepassingen van euthanasie, is het misschien goed om na te gaan of de wet haar doelstellingen heeft bereikt. En of ze diegenen die hun vrees en reserve hadden geuit heeft kunnen geruststellen. Heeft ze een eind kunnen maken aan de controverse die eraan was voorafgegaan?

Doel van het uit de strafwet halen van euthanasie, was de mogelijkheid om de wil te eerbiedigen van ongeneeslijk zieke patiënten in een toestand van ondraaglijk lijden, die wensten te sterven met medische hulp. Door een juiste en gecontroleerde praktijk van de euthanasie toe te laten wilde men ook een eind stellen aan de clandestiene euthanasie, vaak uitgevoerd met ongeschikte medische middelen.

Het aantal toepassingen van euthanasie in overeenstemming met de wet, en waarvan dus aangifte werd gedaan bij de Federale Controlecommissie, kende een gemiddelde van 19 per maand in 2003, 29 in 2004 en 30 in 2005. In al die gevallen was er sprake van ernstige ongeneeslijke aandoeningen, die met veel lijden gepaard gingen, voornamelijk kanker en neurologische aandoeningen. De jaarlijkse toename van het aantal aanvragen werd verwacht en kan als normaal beschouwd worden, al is het maar omdat de mogelijkheden die de wetgeving biedt over het omgaan met het levenseinde beter bekend raken, zowel bij de bevolking als bij de geneesheren.

De alarmistische voorspellingen die lieten geloven dat legalisatie een golf van euthanasieaanvragen zou veroorzaken zijn niet uitgekomen. De voornaamste reden is uiteraard de wil om ondanks alle lijden verder te leven, zolang het leven maar draaglijk blijft. De uitgebreide palliatieve zorg die in ons land bestaat, kan velen daarbij helpen. Daarnaast zijn de legale voorschriften zeer strikt. En dan is er nog de terughoudendheid op grond van ideologische of filosofische redenen, zowel bij sommige patiënten als bij sommige artsen, en ook toegestaan door de wet, of zijn er de praktische moeilijkheden die bij deze uitzonderlijke medische handeling komen kijken. Ook de emotionele draagkracht die van de arts vereist wordt, speelt een rol. Euthanasie wordt daardoor zo goed als onmogelijk als er geen nauwe persoonlijke relatie heeft bestaan tussen de patiënt en zijn geneesheer. Ten slotte moeten we nog de tegenkanting bij de directie van meestal katholieke verzorgingsinstellingen vermelden; zij zien euthanasie in hun instellingen niet zitten en geven dat min of meer openlijk toe.

De frequentie van clandestiene euthanasiegevallen sinds de wet in werking trad, blijft iets waar geen uitsluitsel over bestaat. Er mag echter aangenomen worden dat het om een miniem aantal gaat: het risico op een rechtsprocedure werkt waarschijnlijk meer ontradend dan de verplichting om een verklaringsdocument op te stellen.

Een onverwacht en gunstig gevolg van de legalisatie is dat de euthanasie vaak bij de patiënt thuis gebeurt, het gaat om zo'n veertig procent van de gevallen. Die vaststelling, de veel voorkomende aanwezigheid van de naasten gedurende de handeling en het rustige en snelle intreden van de dood maken dat euthanasie, uitgevoerd in een gunstige familiale context en in de juiste medische omstandigheden, in vele gevallen een menswaardig levenseinde kan betekenen.

De gevorderde leeftijd van de patiënten is verder geen factor geweest die euthanasie in de hand zou werken, in tegenstelling tot wat sommigen hadden gevreesd. Zoals blijkt, betreft de grote meerderheid van de euthanasietoepassingen patiënten uit de leeftijdsgroep van 40 tot 79 jaar. En daar waar vijftig procent van sterfgevallen na 80 jaar plaatsvinden, gaat het bij euthanasie om minder dan twintig procent patiënten uit die leeftijdsgroep.

Er werd geen enkele toepassing van euthanasie vastgesteld die manifest de legale voorschriften zou overtreden hebben. En wat
de invasie' van zieken uit het buitenland betreft, waarvoor sommigen ons wilden waarschuwen, welnu, ze is er niet gekomen omdat het een wettelijke vereiste is (die ook in de verklaring voor de Commissie figureert) dat de arts de patiënt regelmatig en voor een voldoende lange periode heeft gevolgd. Wat er in de praktijk op neerkomt dat die patiënt in België moet verblijven en verzorgd worden.

We kunnen dus, samenvattend, besluiten dat de depenalisatie van euthanasie haar rol heeft vervuld. Ze heeft patiënten die met de dood geconfronteerd worden in een toestand van zwaar lijden, en die er duidelijk om verzoeken, de mogelijkheid gegeven medische bijstand te krijgen voor een rustige en snelle dood, op het door hen gekozen tijdstip. De euthanasiewet heeft niet tot de ontsporingen geleid die sommigen voor onvermijdelijk hielden. 

 

Wim Distelmans (arts en professor VUB), Marc Englert (arts en professor emeritus ULB), Philippe Grollet (advocaat en voorzitter van het Centre d'Action Laïque), Etienne Vermeersch (filosoof, professor emeritus UGent), Sabien Bauwens (psychologe, AZ-VUB), Dominique Bron(arts, professor ULB), Walter De Bondt(jurist, professor UGent en VUB), Edouard Delruelle(filosoof, professor Ulg), Sonja Eggerickx(voorzitster Unie van Vrijzinnige Verenigingen), Léon Favyts(voorzitter Recht op Waardig Sterven), Béatrice Figa(huisarts), Jacqueline Herremans(advocate, voorzitster van de Association pour le Droit de Mourir dans la Dignité), Roger Lallemand(erevoorzitter van de Senaat), Yves-Henri Leleu(jurist, professor ULg), Philippe Maassen(huisarts), Michel Magits(jurist, vice-rector VUB), Raymond Mathys(arts, erediensthoofd oncologie ZNA), Jeanine-Anne Stiennon-Heuson(biologe, professor emeritus UMH), Bert Van Camp(arts, rector VUB)

 

Interview met een gevreesd docent in Guido Campus Magazine

Artikel
Etienne Vermeersch

Technisch gezien geniet professor Etienne Vermeersch al geruime tijd van een welverdiend pensioen na een lange carrière als hoogleraar aan de Gentse universiteit. Toch is vandaag geen academicus bekender bij het grote publiek dan hij. Als moraalfilosoof heeft Vermeersch bijna overal een mening over, en hij verkondigt die graag en met verve. "Krijg je veel lezersbrieven?" vraagt Vermeersch terwijl hij een nummer van Guido Campus Magazine doorbladert. "Nee? Dan zal het niet controversieel genoeg zijn." Laten we daar dan maar vlug verandering in brengen. Shoot, professor! Shoot, by all means!